9 februari 2010

Eikebah en de offday

Het leven zit toch raar ineen, bedenk ik mezelf. Ik denk wel vaker in torenhoge clichés. Dat is ook waarom ik constant spreek over gras dat groener is aan de andere kant, het weer en PMS. Of hoe ik zeg dat ik op mijn eentje een grote pot ijs ga eten en naar een chick flick ga kijken. Ik denk dat ik in mijn hele leven de twee nog nooit gecombineerd heb, maar ik praat er wel over.

Bon, het leven zit dus raar ineen. Twee maanden wil ik al uitgaan. Twee maanden. Dat is een erg lange tijd. Maar de tijd is aangebroken, moet u weten. Ik vertoef alweer in ’s Vlaanderens oudste studentenstad en dus kan ik perfect om vier uur ’s nachts langs de straten schuimen, al stappend over hopen kots, strategisch geplaatste dronkelappen en opengereten vuilniszakken. De vrijheid waar ik twee maanden naar uitkeek is hier. Moest dit het jaar 2007 dan zat ik nu wellicht op iemands anders kot mezelf voor te bereiden op een nacht met te weinig slaap.

Maar we schrijven 2010. En eigenlijk wil ik nu niets liever dan een grote pot ijs eten en naar een chick flick kijken. Ware het niet dat ik deze middag te veel gegeten heb en nog steeds misselijk ben. En dat ik eigenlijk helemaal geen chick flick wil kijken, maar alleen op mijn bed wil liggen met mijn hoofd naar beneden hangend. Niet te lang natuurlijk, want dan zou ik sterven. Ik ben immers nog – net niet – onsterfelijk.

Een off-day dus. Ik steek het op de antibiotica. Ik ga me er niet door laten doen, hoor. Ik ga socializen. Als ik na vijf minuten gesocialize als een blok in slaap val, is dat uiteindelijk toch meer het probleem van mijn gesprekspartner dan van mezelf. Right?

8 februari 2010

Eikebah en de dokter

Ik ben niet goed met dokters. Nooit geweest eigenlijk. Als kind spendeerde ik zowat elke week wel een halve dag bij de dokter en sinds ik ooit per ongeluk een erg nachtmerrie-ish gesprek opving tussen hem en mijn ouders weiger ik er naartoe te gaan. Tenzij het echt moet. Zoals dit weekend.

Het begon allemaal een week geleden toen ik me een beetje ziekjes voelde. Als ik mij een beetje ziekjes voel dan negeer ik dat. Dus het negeren begon. Een week later begon het negeren wat tegen te steken, maar hier komt mijn tweede angst op de proppen: angst voor het niet ziek zijn en toch naar de dokter gaan. Ik heb een heilige schrik dat ik bij mijn dokter aankom, hij mij onderzoekt en doodleuk zegt dat ik helemaal niets heb. Mijn anti-dokter-strategie werkt die angst in de hand. Bij het begin van een ziekte wil ik nooit gaan, want wat als het de volgende dag al over is? Na een week wil ik echter ook niet meer gaan, want wat als ik al zo lang ziek ben dat de ziekte op zijn einde loopt? Daar kwam dan nog eens bij dat Het Lief mij vrijdagavond – wanneer ik naar de dokter wou – doodleuk zei dat ik helemaal niet ziek leek. Angst³.

Dus ging ik niet. Want angst³ is veel angst. Maar mijn lichaam wou wraak. Dus lag ik de hele nacht te hoesten en klagen. Het Lief – hij die mij ervan weerhield om naar de dokter te gaan – sprak rond drie uur de (schijn)heilige woorden ‘waart dan naar den dokter geweest he’, waarna hij zich omdraaide. Het Lief wordt ’s nachts niet graag wakker gehouden. Ik ook niet overigens. Dus stond ik op een – voor mij – ontiegelijk vroeg uur op om alsnog richting dokter te vertrekken.

Daar zat ik dan. Op de plaats die ik haat. Hij onderzocht mij. Heilige angst. Hij vond mijn symptomen wat raar of zo leek het toch. Of ik een even een plaat wou laten nemen van mijn longen? Sure. Ondertussen nam de angst toe. Toen hij de plaat aan de lichtgevende bak hing, kon ik alleen maar denken dat ik eigenlijk niet ziek was. Die enorme witte vlek baarde mij wel zorgen. Ik hoorde toch helemaal geen enorme witte vlek te hebben daar? En toen wees mijn dokter boven de witte vlek. Naar een hele reeks kleine witte stipjes. Waarop een hele uitleg volgde over bronchitis – wat niet te zien is op een plaat – en een stadium verder dan bronchitis. Een stadium waar blijkbaar de bloedvatwanden aangetast worden, iets dat wel te zien was op de plaat. Dat had ik dus.

En terwijl er mij alweer gevraagd werd mijn medisch dossier te vernieuwen vroeg ik mezelf alleen maar af of ik wel écht ziek was. Want ja, ik had wel de hele nacht liggen hoesten, maar zo een dokter kan u uiteindelijk wel alles wijsmaken. Als hij mij nu had wijsgemaakt dat die gigantische witte plek een boom was die in mij aan het groeien was, had ik het wellicht ook nog geloofd. Nee, dokters en ik, wij komen niet overeen. Om nog maar te zwijgen over die specifieke doktergeur die er bij dokters hangt. Bijna zo erg als de ziekenhuisgeur. Bijna.

3 februari 2010

Eikebah en Studio Ghibli

Ik ben eigenlijk een vrij saai persoon. Meestal stoort dit mij niet, het stoort mij alleen wanneer mijn saaiheid en mijn verlegenheid mixen. Dan word ik namelijk De Koningin Der Saaiheid. Maar bon, mijn saaiheid begon in mijn tienerjaren toen bleek dat ik toch liever zeven films na elkaar keek dan zeven minuten op de lokale fuif te acteren dat ik me amuseerde. Ik was meestal ook niet erg goed in dat acteren. Meestal schreeuwde ik na zeven seconden al ‘dat dit wel een heel erg foute cover was’ en na zeven minuten ‘dat ik mij toch niet erg goed voelde vandaag’.

Dus keek ik film. Want dat deed ik graag. Ik lees ook graag boeken en ik luister ook graag muziek, maar film… Dat was een categorie apart. Niet dat ik de grootste filmkenner ter wereld ben of dat ik al zoveel films gezien heb dat een giraf er een slappe nek van zou krijgen. Nee, ik vind film gewoon ‘meer dan leuk’.

Want wanneer ik in mijn tienerjaren wou ontsnappen aan de werkelijkheid was daar plots de film. Door mijn freakishly hoge graad van empathie was het ook niet moeilijk om écht te ontsnappen. Voor even. Dat deed ik graag. En tijdens mijn tienerjaren waren er drie films die een blijvende indruk op mij na lieten. Drie films waaraan ik spontaan denk wanneer ik aan het woord ‘film’ denk.

  1. Le Fabuleux Destin D’Amélie Poulain: Want ja, als tiener had ik het vreemde beeld dat ik een twintigjarige Parisienne was.
  2. Mean Creek: Want ja, als tiener wou ik pestkoppen ook wel eens een lesje leren.
  3. Sen to Chihiro no Kamikakushi/Spirited Away: Want ja, als tiener geloofde ik nog steeds in de kracht van animatie.

Ik ging wekelijks naar de videotheek toen. Echt. Ik leefde ervoor. Later werd die videotheek echter opgedoekt. Of beter gezegd: omgevormd naar een krantenwinkel die ’s nachts ook open is om een fles alcohol te gaan kopen of een porno te huren. Dus kwam ik er niet meer. De authenticiteit was weg. Dus keek ik steeds minder film. Ik vergat het zelfs een beetje. De behoefte om te ontsnappen aan het dagelijkse leven was weg en mijn videotheek – want dat was het: MIJN videotheek – was ook weg.

Enkele jaren later – nu dus – moest ik een onderwerp kiezen voor een meesterproef. Ik koos een onderwerp waarmee ik later iets zou zijn. In het leven, weetwel. Iets zeer concreets. Tastbaars. Het was niet wat ik wou. Dus in een vlaag van paniek greep ik terug naar wat ik het liefst had: film. Ik liet mijn ingebeelde, surrealistische carrièremove liggen voor Studio Ghibli. Voor zij die de films kennen zal dit een zeer wijze keuze zijn. Voor zij die de films niet kennen, kan ik maar enkele dingen zeggen: Spirited Away, Howl’s Moving Castle, My Neighbour Totoro, Grave of the Fireflies, The Cat Returns, Princess Mononoke en nog andere parels. En voor zij die écht lui zijn, kan ik alleen maar zeggen: hieronder zijn enkele Amerikaanse trailers te zien. Die ab-so-luut geen gerechtigheid doen aan de magie, overigens, maar de kans dat u of ik Japans spreekt is klein. Dus als u een film wilt zien en u heeft geen flauw idee welke, kijk dan naar Studio Ghibli (in het Japans). Al is het maar gewoon zodat ik één keer in mijn leven niet het volgende gesprek moet hebben:

‘Waarover gaat uw thesis?’
‘Studio Ghibli’
*stilte van vijf minuten waarin ogen worden dichtgeknepen en wenkbrauwen opgetrokken*
‘Een Japanse animestudio’
*nieuwe stilte van vijf minuten waarin ogen worden dichtgeknepen en wenkbrauwen opgetrokken*
‘Een filmstudie die Japanse animatiefilms maakt
‘Ah, tekenfilms zoals Disney… Wat is daar nu relevant aan?
*stilte van vijf minuten waarin er wanhopig gezocht wordt naar een ander onderwerp*

Howl’s Moving Castle:

Spirited Away:

Grave of the Fireflies (Japans)

2 februari 2010

Eikebah en de iets te vroege quarter life crisis

Omdat Het Lief mij ondertussen toch elke dag pest met mijn niet meer zo geheime guilty pleasure en omdat ik vermoed dat enkele vrienden eens ik in slaap gevallen ben in het groot ‘Twilight’ op mijn hoofd gaan schrijven, kan dit er ook nog wel af. Ja, u hoort het al aankomen: een nieuwe bekentenis. Alsof de vorige mijn imago al niet volledig afgebroken heeft.

Ik moet bekennen dat Twilight mij blijft achtervolgen. Niet op een creepy tweenie way waarin ik duizenden fanmails stuur naar de hoofdrolspelers. Nee, ik begin te geloven dat ik een vervroegde quarter life crisis heb opgelopen. En ik wijs met een beschuldigende vinger naar bovengenoemd massa-entertainment.

Oh jawel, sinds ik die film gezien heb zijn er plots zoveel vragen in mijn hoofd opgedoemd dat ik met veel plezier de tijd zou terugdraaien en de film niet zou bekijken. Of na het kijken van de film met mijn hoofd ergens zou tegenlopen waardoor er geheugenverlies zou optreden. Het zit ‘m namelijk zo: mijn vijftienjarige ik has awakened. Ik leefde in de illusie dat die vijftienjarige even snel opnieuw zou weggaan, maar nee. Mijn vijftienjarige ik heeft enorm veel vragen voor mij.

Ik vraag mezelf plots af waarom ik zo een watje was in mijn middelbare schooltijd. Ik vraag me af of ik het leven toen leuker gevonden zou hebben als ik minder principes had. En of ik het leven nu leuker zou vinden als ik enkele principes uit het raam zou smijten. Ik vraag mezelf af of ik niet meer risico moet nemen. Als ik rond mij kijk, zie ik plots allerlei sterren opduiken die jonger of even oud zijn als ik. Ik vraag mezelf af of het een juiste keuze was bepaalde dromen op te bergen of in te ruilen voor meer realistische visies.

En alsof die vragen nog niet existentieel genoeg zijn, vraag ik me natuurlijk ook weer af waar ik naartoe moet in het leven. Ik begon mij heel concrete vragen te stellen over het eventueel naderende ‘gaan samenwonen met Het Lief’. Ik vraag me af waarom ik dat eigenlijk niet zo graag wil. Ik voelde me plots beknot in mijn vrijheid. Zonder dat er iets veranderd was. Plots. Ik kreeg paniekaanvallen over een saai leven waarin elke dag geleid wordt door een sleur. Daarna kreeg ik paniekaanvallen over een avontuurlijk leven waarin elke dag geleid wordt door nieuwigheden en waar niets stabiel is. En de existentiële vragen bleven komen.

Het erge vind ik dat ik geen enkele vraag kan beantwoorden. Ik weet dat dit wellicht allemaal heel erg typisch is voor twenty somethings of mensen in het algemeen. Het is alleen… Als ik rond mij kijk, zie ik mensen die wél weten wat ze willen. Mensen met talent. Het lijkt alsof iedereen plots settlet en ik wil dat niet. Ik weet niet wat ik wil. Ik dénk dat ik gewoon geen keuzes wil maken. Ik hààt keuzes maken. Ik dénk dat mijn probleem daar ligt.

Maar bon, ik kan toch – met enige schroom – zeggen dat een teenage chick flick zoals Twilight mij tot nieuwe intellectuele hoogten brengt. Misschien maakt dat van mij gewoon een zotte trees, maar dat is dan maar zo. En excuseert u mij nu even, ik ga mezelf nog wat verder proberen te analyseren. Of naar foto’s kijken van die hoofdrolspeler daar. Whatever, zegt mijn vijftienjarige ik.

26 januari 2010

Eikebah en het deel uitmaken van een vijftienjarige massa

‘Alleen Edward begrijpt mij :’(‘. Dat stond er in mijn smsje naar Het Lief. Ik stuur graag dramatische smsjes naar mijn lief; het geeft me het gevoel dat ik in een film speel. De film van mijn leven en zo. U kent de clichés wel.

Nu komt dit wellicht raar over, zeker voor de mensen die mijn vorige post lazen over Volvo’s en vampiers. Het zit zo: ik beoordeel een boek àltijd op zijn cover, maar een film niet. Dus moest ik Twilight toch eens bekijken vooraleer ik er echt een oordeel over uitsprak. Ik wil niet één van de massa zijn. Al zeker niet de massa die uitspraken doet over zaken die ze niet kennen. Dus keek ik Twilight.

Eerst ergerde ik me dood. Echt. Het eerste kwartier was een hel. Ik heb me moeten inhouden om niet naar mijn computerscherm te roepen dat die vervloekte vampier wel een beetje een John was, dat ze hun gordel moesten aandoen en dat snel rijden niet oké is zelfs al ben je onsterfelijk. Ja, ik ben zeer strikt als het over verkeersregels gaat. En ja, ik stop zelfs als voetganger voor een rood licht ook al komt er geen wagen aan dus ik mag de eerste steen werpen.

Maar naarmate de film langer speelde zag ik het ineens. Of: ik wilde het zien. De cinefiel in mezelf was enorm geërgerd, maar het vijftienjarige meisje in mij werd wakker. Dus had ik de keuze: mezelf 2 uur ergeren en achteraf zagen of mezelf 2 uur opnieuw vijftien jaar laten zijn en genieten. Ik koos voor het tweede. En nu ik toch bekentenissen doe: ik vind Harry Potter oprecht goed. En ik heb een zwak voor ALLE films met bovenmenselijke schepsels of gebeurtenissen. Zelfs de slechtste. Maar voor de rest heb ik wel goede smaak, hoor. Ik verzeker het jullie.

25 januari 2010

Eikebah en Het Grote Vergeten

Weet u, ik geraak alles kwijt. Echt alles. Na vier jaar kot heb ik eindelijk de truc van de sleutel gevonden. Waar ik vorige jaren soms een half uur kwijtspeelde om mijn heel kot om te keren heb ik nu eindelijk de gewoonte gekweekt om mijn sleutel op de binnenkant van de deur te steken. Al lukt zelfs dat  me nog niet altijd.

Ik geraak zoveel kwijt dat als ik iets binnen de vijf minuten niet vind ik er maar vanuit ga dat het kwijt is. Soms gaat het zelfs zo ver dat ik in die vijf minuten niet eens zoek. Soms weet je gewoon dat het niets uitmaakt.

Maar nu, nu heb ik mezelf overtroffen. En nu, nu ben ik kwaad op mezelf. U weet het wellicht niet en u ziet het wellicht niet aan mij, maar ik hou van oude strips. Vooral van Kiekeboes. Ja, ik ben een nerd die Kiekeboes spaart. En ik ben mijn eerste druk van ‘Over Koetjes en Kalfjes’ kwijt. Kwijt. Toen ik daarnet mijn collectie aanvulde met nummer 29 zag ik dat nummer 28 ontbrak. En het erge is dat ik geen flauw idee heb waar-ie is. Echt geen flauw idee. Ik herinner mij levendig dat ik erin las. Vanaf dat punt heb ik echter een enorme black-out.

En het enige dat ik nu kan denken is ‘ga ik het Het Lief echt aan doen om deze nacht met mij nog naar Leuven te rijden om te zien of ik ‘m op kot ergens heb laten liggen of niet’. U moet weten dat ik een uur geleden nog op datzelfde kot was. Ik ben het sterk aan het overwegen. Dit is overigens de eerste keer in mijn leven dat ik wou dat ik zelf een rijbewijs had. Maar eigenlijk heb ik maar één cruciale vraag: als u een strip zou zijn en u zou niet op uw plaats staan, waar zou u dan wel vertoeven?

22 januari 2010

Eikebah en haar associatienetwerk.

Als het leven zou zijn zoals in Harry Potter dan zou ik ook graag mijn herinneringen en gedachten opslaan zoals Dumbledore dat doet. Als ik naar huis wandel dan maken mijn ideeën de vreemdste kronkels en krinkels. En omdat ik mijn eigen gedachtegang wel eens wil vereeuwigen, ga ik dat nu ook eens doen. Zodat iedereen kan zien dat mijn gedachten even saai zijn als die van de doorsnee Vlaming.

Als ik naar mijn kot wandel – wat overigens het beste kot ooit is – passeer ik voorbij een middelbare school. Eentje waar ze BSO en TSO geven, en het is ook een sportschool. Denk ik. Dat doet er eigenlijk allemaal weinig toe. Ik vind die school een beetje een vreemd fenomeen. Vroeger zat ik ook op een middelbare school, maar ik kan me totaal niet meer inbeelden hoe het leven toen was. Ik was niet erg gelukkig, dat weet ik nog. Wat ik mij echter nog wel herinner is dat er op mijn school niet zo een vreemde gewoonte bestond als op deze school. Als ik er passeer ligt er altijd een plas speeksel. Really. Ik sta daar dan altijd verwonderd naar te kijken. Speeksel uitspuwen is zo één van die dingen in het leven die ik nooit begrepen heb. Het is ook één van die dingen in het leven die ik niet kan. Ik heb al geprobeerd, hoor, met slijmpjes. Werkt niet. Niet, zeg ik u. Ze komen gegarandeerd terecht op mijn truitje of vallen op nog geen millimeter van mijn schoen vlak voor mij neer. Dus denk ik: misschien proberen ze ‘om-het-verst’. Dat zou ik ook doen moest ik het kunnen.

Maar ik kan het dus niet. Ik merk een kat op. Aan de school zitten namelijk altijd een hele hoop katten. Katten maken mij altijd instant happy dus ik vergeet mijn zorgen over het feit dat ik niet kan spuwen (ik kan trouwens ook niet fluiten of met mijn vingers ‘knippen’, dingen waarvan ik overtuigd ben dat ze tot mijn dood zullen leiden). Ik kijk naar de katten en kan niets meer denken buiten ‘katkatkatkatkatkatschattigschattigschattigooooohoooho’ en ook nog ‘a goetchie goetchie goetchie ja zenne ooooh zo mooi’. Ja, als ik katten zie word ik een beetje een retard, maar ik heb al gemerkt dat ik daar niet de enige in ben.

Iets verder op zie ik een verkeersbord dat in de vuilbak steekt. Nu, zoiets roept pas een hele hoop gedachten op. Ik weet niet wat ik er van moet vinden en dat maakt mij ambetant. Ergens is het wel grappig, maar ergens is het ook gewoon vandalisme. Ik blijf verward naar het bord kijken. Ergens vind ik het wel knap dat ze het met paal en al uit de grond hebben gekregen, maar ergens vind ik dat ze het gewoon hadden moeten laten staan. Ik begon mezelf het soort kwajongens in te beelden dat dit zou doen. Ik beeldde mezelf in of de ‘mensen van de gemeente’ die dit weer moeten komen oplossen het ook grappig zouden vinden. Ik vroeg mezelf af of de mensen die dit hadden gedaan misschien later de mensen worden die zagen en klagen over wat er wel niet met hun belastingsgeld gebeurt. Ik vroeg me af of dat echt hypocriet zou zijn of eerder onwetendheid. En daarna vroeg ik mezelf af of ik het over enkele jaren erg ga vinden om geld af te staan aan de belastingen. Als ik daar hypothetisch over nadenk, begrijp ik niet waarom de mensen klagen. Ik heb belastingen ook altijd iets heel simpels gevonden: je beeldt je gewoon in dat je dat geld integraal hebt overgedragen aan iets dat u aanstaat. I mean, ik heb echt nooit begrepen waarom er gezaagd werd over belastingsgeld waarmee tv-programma’s gemaakt werden. Als het programma u niet aan stond dan beeldde je je toch gewoon in dat je geld naar een ander programma gegaan was. Echt, zo simpel. Maar, ik vraag me toch af: hoe voelt dat nu eigenlijk als echt werkende mens? En zijn jullie gedachten ook zo compleet zinloos of denken jullie écht na over de dingen des levens? En is er ook iemand die niet spontaan een aanval van achterlijkheid krijgt bij het zien van katten?

21 januari 2010

Eikebah en de nieuwe kennis.

Zoals elke morgen las ik ook vandaag de krant. Het is een ochtendritueel dat mij in staat stelt de dag te beginnen. In die krant merkte ik een artikel op over Edgar Allan Poe. Ik weet niet zo heel erg veel van Poe dus ik begon het artikel te lezen. Het ging over het feit dat een geheime aanbidder tijdens de nacht van de ‘verjaardag’ van Poe geen fles Cognac en een rode roos had neergelegd en dit was blijkbaar zeer vreemd. Dus las ik. En naarmate ik het artikel las, werd het alleen maar vreemder:

“De mysterieuze persoon die elk jaar op de dag van zijn verjaardag rozen en een fles cognac naar het graf van schrijver Edgar Allan Poe brengt, is voor het eerst sinds 1949 niet komen opdagen… Poe overleed in 1949. Dat betekent, toeval of niet, dat het eerbetoon aan de schrijver plaatsvond tot exact tweehonderd jaar na zijn dood’.

Nu, toen ik dit las, plaatste ik de schuld natuurlijk eerst bij mezelf. Zo ben ik wel. Dus dacht ik ‘misschien is 1949 écht 200 jaar geleden’. Natuurlijk is dit niet zo en de piste dat ik een rekenfout had gemaakt werd snel verlaten. Nu moet u weten dat ik echt niets van Poe weet. Moest ik een BV zijn die mee deed aan De Slimste Mens en ik zou de vraag krijgen ‘Wat weet u van Edgar Allan Poe’ zou ik het volgende antwoorden: “dichter, schrijver, Amerikaan, lang geleden, stop”. Maar ik ben enorm slecht qua tijdsbesef dus ‘lang geleden’ kan eender wat zijn. Ik vroeg mezelf af of ‘tweehonderd’ misschien een typfout was. Maar 100 jaar geleden lijkt mij dan weer 1909 te zijn dus dat klopte ook niet. Misschien was Edgar wel zo enorm oud geworden dat hij pas in 1949 gestorven was, maar eigenlijk tweehonderd jaar geleden geboren was. Maar die piste verliet ik ook vrij snel: alleen Astro Boy wordt ongestraft zo oud.

En dus bleef ik een kwartier vreemd naar het artikel kijken. Misschien was de auteur van het artikel zelf de mysterieuze persoon, en had hij besloten om de fles cognac volledig zelf te nuttigen. Misschien was het een typfout en moest het 1849 zijn, maar dat zou dan weer op 160 jaar komen. Ik besloot mijn beste vriend te consulteren: Wikipedia. En daar vond ik weliswaar de oplossing van het raadsel.

Moest ik de auteur van het artikel geweest zijn, zou ik het toch anders aangepakt hebben. Misschien wel zo:

“Poe overleed in 1849 op veertigjarige leeftijd. Dat betekent, toeval of niet, dat het eerbetoon aan de schrijver plaatsvond tot exact tweehonderd jaar na zijn geboorte.”

Niet dat ik de (JM) dit kwalijk neemt. Elke journalist maakt wel eens fouten en dankzij zijn/haar fout zal ik nu voor eeuwig weten dat Edgar Allan Poe in de 19e eeuw leefde. Alweer iets bijgeleerd vandaag!

20 januari 2010

Eikebah en haar nieuw verworven heldenschap

Tijdens het blokken voor mijn eerste examen kreeg ik plots een briljante inval. Mijn gedachten durven wel eens afdwalen van de cursus richting ongekende hoogten en dat was ook vandaag weer het geval. Eerst vroeg ik mezelf af hoe het kwam dat een ballon ‘slecht’ werd. Maar dat vond ik maar een loze vraag aangezien dat wellicht is doordat er nog lucht kan ontsnappen uit de knoop. Dus richtte ik mijn hersencellen onmiddellijk op een nieuwe levensvraag. En het is een mooitje, vind ik zelf.

‘Zou ik al het leven van iemand gered hebben’, vroeg ik mezelf af. Voor zij die nu al hun wenkbrauwen optrekken heb ik goed nieuws: er zit een hele redenering achter! Ik dacht na over het feit dat het toeval er eigenlijk best wel dagelijks voor kan zorgen dat er honderden of zelfs duizenden mensen van de dood gered worden. Of voor zij die de dood een te sterk woord vinden: ongelukjes. Zoals wanneer je een ongeval voor hebt en denkt ‘als ik nu één seconde later of eerder vertrekken was, was dit niet gebeurd’.

Dus dwaalden mijn gedachten verder af. Wat als ik door eens te treuzelen ervoor gezorgd heb dat Het Lief en ik niet uit de bocht gingen met de wagen. Wat als ik door met iemand mee te wandelen ervoor heb gezorgd dat er geen man met louche bedoelingen af kwam. Wat als ik door wispelturig te zijn en ergens niet naartoe te willen ervoor heb gezorgd dat we niet in een onveilig gebouw waren. En dus overtuigde ik mezelf dat ik eigenlijk best wel een heldin ben. Net zoals zowat elke andere mens ook een held(in) is. En dat maakte mij best wel blij. De gedachte aan welke catastrofes hetzelfde ‘toeval’ kan uitlokken, heb ik bewust genegeerd. Het is immers geen wetenschappelijke these dus dan mag dat. Nah.

19 januari 2010

Eikebah en hét moment

Waarschuwing: melige post!

Eergisteren ging ik naar Mr. Nobody kijken. Ik ben echt een sucker voor films. En dan nog meer voor films die romantisch zijn met een hoek af. U zou kunnen stellen dat ik niet voor niets een thesis schrijf over Studio Ghibli.

Zoals altijd kon ik mij zeer goed inleven in de hoofdpersonages van de film. Ik heb een zeer groot empathisch aanvoelen, moet u weten. Ik ween tijdens actiefilms, ik ween tijdens het nieuws en af en toe moet ik zelfs een traantje wegpinken bij het zien voorbij sjeezen van een ambulance. Sommige mensen zouden kunnen stellen dat dit een beetje marginaal is, maar ik vind het iets moois.

Dus kon ik mij perfect inleven bij het idee van niet kunnen kiezen. Ik kan namelijk niet eens kiezen wat ik ’s avonds ga eten, laat staan dat ik echt belangrijke dingen kan kiezen. Ik moet zelfs toegeven dat ik echt moeilijke keuzes vaak aan het ‘lot’- of beter gezegd toeval – overlaat. Tijdens de film vroeg ik me ook plots af naar welk moment in mijn leven ik zou terugkeren wanneer dit mogelijk was. En moest dat gaan dan zou ik terug gaan naar 1 oktober 2006.

Voor sommigen gaat er misschien een belletje rinkelen. Inderdaad, op 1 oktober 2006 leerde ik Het Lief kennen. En dat ene moment veranderde zowat heel mijn leven. En dat bedoel ik dan niet eens op een melige, romantische manier. Mijn lief en ik kenden elkaar virtueel. Hij was een lezer van mijn blog en ik deed af en toe moeite om zijn blog te lezen. Waarna ik telkens dacht dat hij toch wel een beetje een zager was. Echt klikken kan je dat dus niet noemen. Nu wou meneer mij eens ontmoeten. Ik had daar niet meteen veel zin in, ware het niet dat ik een eed had afgelegd met mezelf om meer ‘ja’ te zeggen tegen het leven. En dus moest ik ‘ja’ zeggen op zijn vraag om met mij mee te gaan naar de 0110-concerten.

Op die bewuste dag zat ik een boek te lezen terwijl ik wachtte op wat zeker een verschrikkelijke dag ging zijn. Het boek diende als troost en houvast. Moest het echt erg worden, kon ik er altijd op terug vallen en er een gesprek over aanknopen. Ergens wou ik dat hij niet zou komen of toch een serieuze vertraging zou oplopen; het was immers een goed boek. En toen zag ik vanuit de verte een silhouet mijn kant uitwandelen. Ik zuchtte diep en keek op. En inderdaad: daar stond Het Lief Dat Toen Het Lief Nog Niet Was. Ik wist niet goed wat zeggen en flapte er dan maar mijn bekommernis uit over het feit dat de normale uitgang van het Antwerpse station afgesloten was. Mijn letterlijke openingszin was iets à la: ‘De uitgang is dicht!! Hoe moeten wij hier nu weg??!’. Waarop hij op een volledig normale manier antwoordde dat er wel een andere uitgang zou zijn.

En het écht specifieke moment waar ik naar terug wil, is het moment dat hierop volgt. Ik wandel hem na richting roltrap. Daar ga ik braaf achter hem staan. Ik ruik hoe hij ruikt. En op dàt moment werd ik verliefd, toen ik daar op de roltrap stond in Antwerpen Centraal. Het was compleet onverklaarbaar. Het was alles waar ik nooit in had geloofd. En op datzelfde moment kwam er ook een enorme rust over mij. Een rust die ik nog nooit eerder gevoeld had. Ik piekerde me dood over de meest kleine details van het leven en op dàt moment viel dat van me af. Op dat moment voelde ik dat als ik dicht bij hem zou blijven, dat alles dan goed zou komen. Een compleet verklaarbare, fysiologische reactie die toch zo compleet onverklaarbaar en vreemd was.

Daarna kreeg ik het geluk nog aan mijn kant toen de weergoden besloten dat het moest stortregenen. Hij had de kleinste paraplu ter wereld bij en ik kroop er bij onder. En terwijl ik op slechts een centimeter van deze vreemde vandaan stond, nam ik de geur nogmaals op. Ja, alles kwam goed. Nu, meer dan drie jaar later, besnuffel ik hem nog steeds. It’s my thing, I guess.

18 januari 2010

Eikebah en de gekke logo’s.

Dit weekend ging ik voor de eerste keer in mijn leven naar het autosalon in Brussel. Wanneer ik deze beslissing nam, dacht ik een aantal dingen:

  • Het is gratis en een gegeven paard kijkt men niet in de bek.
  • Ik kijk graag naar Top Gear en vind auto’s een pak meer oké dan voetbal.
  • Dan heb ik ook weer iets te doen.

Omwille van bovengenoemde redenen kwam ik dus aan op de beurs. Al meteen stond ik oog in oog met een zaal vol motors en mensen die erop zaten. Om u een meer waarheidsgetrouw beeld van deze situatie te geven, moet ik hier melden dat sommige van die mensen een enorme bouwvakkersreet hebben wanneer zij op een motor zitten. Vanaf heden begrijp ik dus het nut van one piece motorsuits.

Nu ben ik niet meteen geïnteresseerd in motors. Ik heb niet eens een fiets dus waarom zou ik dan een veel te groot uitgevallen fiets moeten hebben? Juist: niet. En dus gingen we naar de wagens. Ik ben alleen geïnteresseerd in 3 soorten auto’s:

  • Oldtimers
  • Rare/zeldzame auto’s
  • Toyota’s

Ik moet zeggen dat ik alleen voor deze derde categorie terecht kon op het autosalon. En zelfs dan viel het nog tegen. Want mijn missie was om in een Toyota Prius te gaan zitten. Gewoon, om te kunnen zeggen van ‘hey, ik heb al eens achter het stuur gezeten van een Toyota Prius, maar voor de rest weet ik niet eens waarvoor welke pedaal dient’. Ik moet eerlijk bekennen dat die missie niet gelukt is. Toen ik oog in oog stond met mijn slachtoffer – een witte Prius – begon ik hevig te zweten. Er zaten al mensen in. En er liepen zoveel mensen rond. En ik wou ab-so-luut geen verkoper. En dus maakte ik mezelf er van af met een ‘amai, die koffer is echt wel groot’, een snelle blik richting verkoper en een paar voeten dat mij van het slachtoffer weg bracht.

Maar de clou van dit verhaal is eigenlijk: wist u dat het logo van een Toyota uit een T bestaat? De twee cirkels vormen namelijk de desbetreffende letter van het alfabet. Ik heb dit vorig jaar ontdekt, tijdens een hoorcollege. Na deze heuglijke gebeurtenis moest ik met zowat iedereen die ik kende mijn nieuw vergaren kennis delen. Als reactie kreeg ik een hoop rare blikken en een ‘ja, dat weet iedereen’ toegeworpen. Maar weet u het? En weet u ook dat het logo van Vero Moda uit een V en een M bestaat en dat het niet gewoon een M met dubbele streep is? En weet u ook dat er in het logo van Amazon een pijltje staat dat aanduidt dat ze alles hebben, van a tot z?

I mean, u lacht mij misschien uit omdat ik niet de verbeelding had om een T uit cirkels te maken. Maar ik lach u ook uit, omdat u niet door had dat het logo van de Carrefour gewoon een C is.

14 januari 2010

Eikebah en haar jeugdobsessies

Ik geef het toe: Als piepjonge tiener heb ik enkele zeer betreurenswaardige celebrity crushes gehad. Ja, ik heb mijmerend naar mijn poster van Titanic gekeken en mezelf afgevraagd waarom zoiets niet in het echt kon gebeuren, maar dan natuurlijk zonder het verdrinken en de seksscène. Ja, flauw misschien, maar ik was ocharme tien jaar dus verdrinken noch vieze manieren stonden hoog op mijn verlanglijst. Wel hoog op die verlanglijst: jongens die minder kinderachtig waren en iets anders konden doen dan stukjes papier in brand steken. Hence: mijmeren over Leonardo.

Later, toen ik twaalf à dertien was, kwam Big Brother op televisie en – hier komt het écht gênante gedeelte van deze hele post – was ik smoorverliefd op één van de deelnemers. Echt. Er hingen zelfs krantenknipsels naast mijn bed. Ik wist dat het nooit iets zou worden – eigenlijk hoefde dat ook niet – maar toch was de bewondering groot. Het mijmeren was weer ingetreden. Tot ik op een dag wakker werd, naar de krantenknipsels naast mijn bed keek en hysterisch werd bij het idee dat er krantenknipsels van een vent naast mijn bed hingen die ik totaal niet kende en die eigenlijk een totale nietsnut was. En dus haalde ik ze weg en was boos op mezelf en héél mijn omgeving. Waarom had ik mezelf – of hadden zij mij – toegestaan om mezelf zo belachelijk te maken! Ieuw!

Maar nu. Wat ik nu zie, slaat alles. Of beter: wat ik nu lees, slaat alles.

Today I asked my boyfriend if he would hold ice to his lips for a minute before he kissed me, so I could pretend I was kissing Edward. He did. MLIT

I have a life-sized cardboard cutout of Edward in my room. When I saw New Moon again I bought an extra ticket and had Edward sit next to me. Best date ever. MLIT

Een godganse site vol melige shizzle waarvan ik van sommige berichten alleen maar kan hopen dat het eigenlijk niet waar is. Een hele site vol tieners die wegdromen wanneer ze een zilveren Volvo C30 voorbij zien rijden. Een hele site vol tieners die het geen toeval vinden wanneer ze een Edward, Bella of Jacob kennen. Niets mis mee natuurlijk, want tieners dromen nu eenmaal graag weg. Maar één ding moet wel duidelijk gesteld worden: Volvo’s zijn ab-so-luut niet sexy. En de gemiddelde Volvo-bestuurder al evenmin. I have spoken.

13 januari 2010

Eikebah en haar Mieuw.

Hoewel ik mijn carrière niet duidelijk in het vizier heb, kan ik wel zeggen dat ik één iets al duidelijk weet. Als ik een groot meisje ben – een vrouw zeg maar – dan wil ik in een opgeknapt modern boerderijtje wonen met een grote tuin en daarin vier katten. Vier.

En als ik één ding weet dan is het dat zij met mij mee gaat:

Three to go.

11 januari 2010

Eikebah en haar afspraak met toekomstige werkgevers

I start to freak myself out. Ik weet dat ik hier al vaak over geklaagd heb, maar ik heb alweer een nieuw dieptepunt bereikt.

Gisteren vroeg mijn allerliefste papa nog maar eens wàt ik nu eigenlijk studeerde. Niet de naam van de richting, niet de vakken, maar wàt ik kon worden. Mijn papa is altijd een werkmens geweest – zoals dat in menig Vlaamsche schlager genoemd wordt – en hij heeft geen boodschap aan fancy schmancy woordjes.

‘Werkloos’. Ja, dat was mijn antwoord. Het was het eerste dat in mijn hoofd opkwam. Dat was dan nog niet eens hetgeen mij het meest deed panikeren. Ik hoorde mezelf vervolledigen: ‘Ik kan ook de communicatie van een bedrijf verzorgen’. Er viel een stilte. Ja, dat kon ik. Intern, extern, totale communicatie. You name it en ik heb er wel ergens een saaie cursus over. En dan kwamen de woorden die ik niet uitsprak in me op: ‘ik kan iets doen in de media’.

Dat ene zinnetje. Ik veracht het. Het doet me denken aan mijn eerste jaar waarin enkele meisjes die voldeden aan bepaalde stereotypen vooraan in de aula kwamen verkondigen dat ze ‘iets wouden doen in de media’. Waarop ik dan altijd snedige en gemene bedenkingen had. En nu *plets* was dat zinnetje daar ineens. In mijn hoofd.

Maar het was niet erg. Ik ging verder studeren, zei ik. Meer werkzekerheid. Minder kans op werkloosheid en om snel afgedankt te worden. Woorden die een werkmens graag hoort. Of toch liever dan ‘ja, pa, ik ga nog wat studeren, want ik weet niet wat ik wil en ik denk eigenlijk dat ik liever gewoon betaald zou worden om de wereld rond te trekken en belachelijke opmerkingen te maken over dingen die alleen ik grappig vind’.

En aan mogelijke toekomstige werkgevers: jullie hebben dit nooit gelezen. Afgesproken?

6 januari 2010

Eikebah en haar levensingrijpende hersenschimmen.

Ik heb enkele rare trekjes. Eigenlijk is dat gelogen. Ik heb een hele hoop rare trekjes. Nu vind ik rare trekjes niet zo erg, ik apprecieer dat wel. Ik val dan ook op ‘mensen met ne slag af’’, zoals ze dat hier wel durven noemen. Zolang het maar geen crazy moordlustige slag is, natuurlijk. Want mensen met ne slag af kunnen beter met mij overleven, omdat er een beter begrip is. Of dat hoop ik toch.

Neem nu etenstijd. Ik ben al mijn godganse leven een ‘moeilijke eter’. Dat zeggen ze hier voor mensen die eigenlijk alleen graag lekkere dingen eten en de doorsnee boerenkost liever aan zich later passeren om nog een stuk chocolade in hun mond te proppen. Nu betert dat wel met de jaren. Terwijl ik als kind kon overleven op enkel potjes chocomousse doet het idee mij nu al walgen. Nee, het idee dat ik meerdere dagen zou moeten overleven op potjes chocomousse doet me walgen, één dag lijkt mij nog wel fantastisch – op de toiletbezoekjes na dan. Maar bon: ik ben een moeilijke als het op eten aankomt. Niet alleen wat er op mijn bord ligt doet me vaak de wenkbrauwen optrekken, ook hoé het op mijn bord ligt. Jawel, beste mensen, ik heb eisen als het aankomt op een bord voedsel. In mijn hersenen vindt er namelijk een kortsluiting plaats wanneer twee verschillende etenswaren over elkaar liggen of elkaar raken. U hoort het goed: op mijn bord moet alles gescheiden liggen. En als het niet gescheiden ligt dan leg ik het wel zo. Al ben ik er minuten mee bezig. Al wordt mijn eten koud. En tijdens het idee hou ik ook mijn bord angstvallig in de gaten. Je weet immers nooit wanneer een stuk groente naar het verzet overloopt.

Nu vind ik dat kantje van mezelf nog niet zo erg. Het heeft weinig impact op het dagelijkse leven behalve dan de ‘GE WEET TOCH DAT MIJN ETEN APART MOET LIGGEN, WAAROM HEBT GE ALLES ZOMAAR OP DAT BORD GEKWAKT’-uitbarsting tijdens mijn maandelijkse PMS-periode. Een kantje dat daarentegen mijn leven wél beïnvloedt, stoort me mateloos. Ik ben geen al te grootse slaper. Nooit geweest. ’s Nachts lijken alle zorgen die ik overdag uit mijn hoofd wil binnen in het kwadraat aan te kloppen. En dus slaap ik slecht. Maar de laatste weken is Het Probleem daar weer. Het Probleem achtervolgt mij al van mijn kindertijd en gaat mij op een dag echt tot waanzin drijven, I can feel it. Als kind begreep ik al hoe irrationeel Het Probleem was en als volwassene doe ik dat ook, alleen lijkt het nu rationeler dan toen. Als kind sliep ik immers in een klein kamertje boven. Voor het raam van het kamertje stonden tralies. Mijn ouders verzekerden mij dat de kamer nooit een gevangeniscel was geweest en mompelden iets van dieren en stal en tralies en ik vond een stal boven het grondniveau maar raar, maar zweeg. Nu is dat het probleem niet. Het probleem was dat ik een heilige angst ontwikkelde voor inbrekers. Als kind had ik het moeilijkst bereikbare raam van het ganse huis én tralies en toch had ik nog angst voor inbrekers. Nu heb ik het makkelijkst bereikbare raam van gans het huis en lig ik ’s nachts uit het raam te staren in de hoop dat ik geen silhouetten zie. Ik moet zo lang mogelijk wakker blijven, zodat het licht zo lang mogelijk brandt. En ik weet dat de kans dat er iets erg gebeurt zo klein is dat het mij ergert. Dus na een tijd lig ik mij alleen maar te ergeren aan mezelf. Elke nacht opnieuw.

U ziet: het leven is hard. Al ben ik blij dat ik in mijn leven vaker geconfronteerd zal worden met groentjes op één grote hoop liggen dan met een inbreker die mij koelbloedig neerschiet. En als dat laatste dan ooit gebeurt, hoop ik dat ik die dag gegeten heb uit een bord waar alles mooi een eigen plaatsje had.

18 december 2009

Eikebah en de winkelhysterie

Vandaag ging ik winkelen. Ik moest wel. Ik had dringend kerstcadeaus nodig. En ik keek er wel naar uit. Ik vind het gewoon leuk om omringd te zijn door boeken of films, zelfs al voel ik rondom mij alleen massahysterie. Nu, na mijn kerstcadeaus vond ik plots dat ik écht kleren nodig had voor kerst. In geen vijfhonderd jaar pas ik nog in het kleedje van vorig jaar en mijn andere kleren beginnen mij allemaal tegen te steken.

Nu moet je weten. Ik heb geen geld. Geen. Nooit. Dus mijn kledingstijl is vrij saai, vind ik zelf. De dingen die ik wil, zijn altijd te duur en als het op mode aankomt heb ik ook het brein van een eekhoorn. Ik begrijp er niets van. Daar komt dan nog eens bij dat ik enorm ambetant wordt als ik niet direct iets vind. En met direct bedoel ik: het eerste kledingstuk dat ik vastpak.

En dus was ik ambetant. Want ik had al 16 dingen gepast. ZESTIEN. Dat zijn vijftien stuk boven mijn grens. Daar kwam dan bij dat de winkelmevrouw mij maar spullen bleef geven. Ik stond op het punt te hyperventileren. Al die kleren die zo mooi waren aan een kapstok, maar mij niet pasten. Al die kleren die zo lelijk waren aan een kapstok en mij wel pasten. It was frustrating. Daar komt dan nog eens bij dat ik überhygiënisch ben dus zestien kledingstukken aandoen die niet van mij zijn en waar andere mensen al hebben ingezeten: de instorting was nabij.

Ik keek met wanhopende ogen naar mannen in de winkel, zij die verder gesleurd werden door hun vriendin. Ik wou Het Lief ook meesleuren. Nog meer dan dat wou ik zelf voortgesleurd worden. Zonder iets te passen. Gewoon zitten. Af en toe een geluid uitstoten. Apathische blik op oneindig. En dus kost ik maar wat ik op dat moment aan had. Om er van af te zijn. En ik betaalde een voorschot om het dit weekend af te halen. Want ik was het beu. En ik kon die winkel toch ook niet verlaten zonder iets te nemen na al die hulp?

WHAT HAVE I DONE? :aah:

16 december 2009

Eikebah en haar stiptheid

Vroeger was ik een stipt mens. Een heel stipt mens. Ik sprak in de middelbare school af met een vriendin om een deel samen naar school te fietsen. Niets bijzonders. Het was ook niet ver: de laatste kilometer. En toch gebeurde er elke dag iets miraculeus. Elke dag was ik op tijd. Niet zomaar op tijd. Vaak was ik een halfuur te vroeg. Als ik een kwartier te vroeg was, was ik eigenlijk te laat. Ja, ik was zeer stipt.

Nu ben ik ook nog een stipt mens. Diep vanbinnen ergens. Maar er zijn dingen veranderd. Als ik nu een kwartier te laat ben, ben ik eigenlijk te vroeg. De klok hangt hier om mij eraan te herinneren dat de tijd bestaat, want anders zou ik het wel eens durven vergeten. En niet alleen dat vergeet ik. Ik begin zelfs afspraken te vergeten. Deadlines komen ook elke jaar sluipend dichterbij zonder dat het me iets doet. Ik word onverschillig ten aanzien van de tijd. En niet alleen dat. De perfectionist in mezelf lijkt verhuisd te zijn.

En nu de pointe: vroeger moesten mijn schoenen allemaal mooi naast elkaar staan, allemaal mooi naar dezelfde kant gericht. Dat was mijn ding. Als ze zo niet stonden, werd ik kwaad en was mijn dag verzekerst om zeep. Vanmorgen stond ik op. Gisterenavond had Het Lief gezegd dat hij het kot een beetje had opgeruimd. Op het moment zelf keek ik om mij heen en dacht ik ‘het water in de kast zetten does not equal het kot opruimen’. Maar deze morgen keek ik naar mijn schoenen.

‘Tiens, wat een raar zicht’, dacht ik. ‘Al die schoenen staan zo mooi op een rijtje, zo mooi hebben ze in tijden niet gestaan’.

En het ergert mij. Het ergert mij dat ze daar zo mooi staan. Zo perfectionistisch. Nu ben ik ook nog een stipt mens, alleen op totaal andere punten dan vroeger.

14 december 2009

Eikebah en het tweeledige verjaardagsgevoel

Dit weekend was ik jarig. Eenentwintig werd ik. Nu ben ik meer dan officieel een twintiger. En omdat ik even decadent wou doen, ben ik die verjaardag gaan vieren in Parijs. En ook omdat we daar al bijna een volledig jaar een Bongo voor hadden liggen, dat ook ja.

Nu ben ik nooit goed geweest in het vieren van mijn verjaardag. Of nee, ooit was ik heel goed in het vieren van mijn verjaardag. Als klein kindje deed ik niet liever dan jarig zijn en dan de ganse klas – want ik discrimineerde niet – uit te nodigen. Tot bleek dat de jongens te veel kattenkwaad uitspookten, er heimelijk gedaan werd en – laten we maar eerlijk zijn – de cadeaus nog steeds vrij crappy waren. Toen ben ik van het hele verjaardagsidee afgestapt. Ik moest geen meisjes die in mijn bed jongens waar ik verliefd op was aan het versieren waren. En dat al in de lagere school hé mensen!

En sindsdien vier ik mijn verjaardag liever niet. Wat dan steeds tot de volgende situaties leidt:
‘En hebt ge uw verjaardag goed gevierd?’
‘Nee, ik vier mijn verjaardag niet.’
‘Ah… Waarom niet?’
‘Because I don’t feel like it.’

Gevolgd door een pijnlijke stilte. Om deze situatie dit jaar te vermijden heb ik Het Lief gedwongen naar Parijs te gaan. Dan werd de situatie een pak minder pijnlijk. Want dan kon ik Parijs makkelijk verbinden aan mijn verjaardag en hele gesprekken voeren zonder rare blikken en onbegrip.

Maar dan komt ge terug. En ge hebt vrienden. En die vrienden hebben iets gedaan met hun verjaardag. En gij moet dus ook iets doen. De druk neemt toe. En dus organiseer ik blijkbaar iets. Ergens wel dik tegen mijn zin, want ik heb nu al stress over de mogelijke saaiheid, de lage opkomst, de korte gesprekken, de pijnlijke stiltes. Angst! En wat als de meisjes ook nu weer de jongen waar ik verliefd op ben zitten te verleiden op mijn bed? Eén ding is zeker: in plaats van merkloze Barbies ga ik dit jaar niet veel krijgen. Dat bespaart dan toch weer een pijnlijk gesprek.

3 december 2009

Eikebah en de vreemde wereld.

Damn, de pret is voorbij.

Het was de derde slapeloze nacht op een rij. Drie nachten slecht slapen; het is nefast voor het functioneren van mijn hersencellen. Ik beeld mij steeds in dat ik een beperkt aantal hersencellen heb – niet dat ik een domme gans ben, maar in mijn verbeelding zitten mijn hersencellen allemaal in een uitgebreide villa die ondanks de gigantische omvang van het bouwwerk toch maar een beperkt aantal hersencellen kan vestigen – en zij trekken streepjes op de muur om aan te tonen hoe weinig ik slaap. (Wow, dat was even de langste zin ooit.) Vanaf het moment dat ze merken dat ik onder een bepaald percentage slaap ga, weigeren ze dan ook te doen wat ik zeg.

Ik zeg hen: slaap.
Zij zeggen mij: fuck you, wij gaan blijven denken, de hele nacht lang.
Ik zeg hen: oké, maar doe het dan over leuke dingen.
Zij zeggen mij: mwuahaha.

You get the picture. Ik lig dus om één uur ‘s nachts te woelen in mijn bed. Mijn hersencellen zijn rustig aan het debatteren in hun villa. Tot plots één van hen opmerkt: ‘damn, de pret is voorbij’. Er valt een akelige stilte in hun verblijf. De andere hersencellen vatten het plots. Ja, de fun is weg. Het leuke is vergaan.

Het Lief heeft werk. Het Lief is volwassen. En mijn hersencellen beseffen plots dat mijn leven verbonden is aan dat van Het Lief. Zijn volwassenheid vereist mijn volwassenheid. En ik ben nog maar een adolescent. Hij zal zijn vakanties moeten plannen. Ik moet alleen mijn werk plannen. Hij zal alleen ’s avonds nog tijd hebben. Ik heb alleen overdag tijd. Hij zal verantwoordelijk zijn en niet zomaar weg kunnen. Ik ben verantwoordelijk voor rien du tout. Maar nu plots wel. Nu moet ik plannen. Geen impulsiviteit meer. Niets.

Ik word gedwongen de volwassenenwereld te betreden. Maar ik blijf liever nog even op het perron wachten. Ik neem de volgende trein wel.

13 november 2009

Eikebah en haar meesterproef.

Het is onvoorstelbaar hoeveel nutteloze dingen ik allemaal kan doen wanneer ik het nuttige wil vermijden. Ergens wil ik mezelf wel wijsmaken dat ik nuttige dingen doe om het nog nuttigere te vermijden, maar als ik mezelf ertoe dwing de waarheid te spreken dan moet ik toegeven dat ik vooral mijn tijd vul met het nutteloze.

Ik zou kunnen afwassen. Er staan twee stapels op mij te wachten en als het hart dan toch op de tong ligt: de geur wordt er niet bepaald beter op en het schrobwerk wordt er ook niet bepaald gemakkelijker op.
Ik zou een boek kunnen lezen. Ik heb er hier welgeteld nog tientallen liggen die ik nog moet lezen. En nog zeker drie die ik wil herlezen.
Ik zou kunnen opruimen. Dan is dat al voorbij en moet ik het vanavond niet meer doen op welgeteld twee minuten tijd. Al moet ik toegeven dat mijn twee minuten avondlijk gestress een ritueel zijn dat moeilijk los te laten is. Vooral dan hoe opruimen een synoniem geworden is voor Het Lief uitkafferen omdat hij de bron van al die rommel is. Which is true.

Maar meer van al zou ik het nuttigste kunnen doen. Ik zou kunnen werken aan mijn thesis. Mijn eindwerk. Mijn meesterproef. Mijn ding waar onnoemlijk veel woorden voor bestaan, maar onnoemlijk weinig woorden instaan. Ja, dat zou ik kunnen doen. Maar in plaats daarvan ga ik nog even enkele uurtjes het internet afgaan, denk ik. Op zoek naar iets dat ik niet eens zoek. Ja, dat lijkt mij wel onnuttig genoeg om mijn tijd mee te vullen. En zo wordt het nuttige met de dag nog nuttiger en dwingender.