De Olympische Spelen. Ik kan geen gazet openslaan, geen televisie opzetten, geen radio beluisteren of ze zijn er. Maar dat zijn niet de enige dingen die ik niet kan doen. Zo zijn ze ook omnipresent op hét internet en als ik nu plots Euromillions win, dan zou ik ook niet naar China kunnen reizen zonder er constant op het hart gedrukt te worden dat er duizenden mensen beter zijn in iets dan ik. Want dat is de harde realiteit, maar enkel tijdens de Olympische Spelen ben ik me hiervan pijnlijk bewust. Zeer pijnlijk.
Als ik naar de Olympische wielerwedstrijd kijk, krijg ik al zweetuitbarstingen van de gedachte alleen al dat die renners aan het rijden zijn. Vanaf het moment dat ik me mezelf inbeeld dat ik 250 km moet rijden, krijg ik zware hartkloppingen en voel ik me genoodzaakt de post te veranderen naar het lichtzinnigere Vitaya. Waar ik dan alweer uren commentaar kan spuien op heruitzendingen van heruitzendingen van interieurprogramma’s. Om daarna alweer doodgeslagen te worden door de Spelen.
En dan bedenk ik me dat ik eigenlijk al die dingen ook wel kan.
*Lezerspubliek valt en masse van hun stoel bij deze laatste zin.*
Ja, u leest het goed. Ik kan al die dingen eigenlijk ook wel. Ik kan fietsen. Ik kan tegen een bal schoppen. Ik kan zwemmen. Als ik zou moeten roeien, zou ik het wellicht ook wel kunnen. Ik kan mezelf perfect over de schouder laten zwieren door een judoka. Ik kan àlles. Natuurlijk wel significant slechter dan die sporters, maar het is niet fysiek onmogelijk voor mezelf om dezelfde wegrit in ongeveer 5 dagen, 18 uur en 8 minuten af te leggen. Maar er is één ding, één ding dat ik niet kan. Ik kijk er met open mond naar, staar af en toe en probeer de nare herinneringen uit mijn hoofd te bannen.
Ondertussen is het al zowat twee jaar geleden dat ik nog een les L.O. moest uitvoeren, maar ze branden nog altijd in mijn herinnering. De hel, alsof de hele middelbare school nog niet hellig genoeg was. Want L.O., dat was mijn buisvak. Hard. Ik kon er allemaal niets van, ik kon met moeite een les overleven. En als er één trimester was waarvan ik het meeste schrik had dan was het wel van dat waarin gymnastiek werd gegeven. Want schoppen tegen een bal kon ik wel goed genoeg om een vijf te krijgen. Lopen kon ik wel goed genoeg om een 4 te krijgen. Maar gymnastiek kon ik zo slecht dat ik er hevige nachtmerries van had. Zeer hevig.
De basis was dat je je eigen gewicht moest kunnen dragen. Iedere normale mens kon dat, volgens mijn leerkracht. Dus moesten we ons optrekken aan één of andere stok. ‘Yeah right, dat elke mens dat kan’, dacht ik en zag tot mijn afgrijnzen dat zelfs de meest sukkelige zwakkelingen zich naar boven konden trekken. En ik wist exact wat er ging gebeuren als ik dat zou proberen. En exact dàt gebeurde ook toen ik het probeerde.
Niéts.
Ja, u hoort het. Er gebeurde niéts. Behalve dan dat een frustratiegolf mijn toenmalige leerkracht raakte en dat ze maar bleef proberen mij boven te krijgen. Which did not work, natuurlijk. Dus gebeurde er nog meer niets.
En nu, twee jaar later, staar ik nog altijd naar al die gymnasten. Die salto’s kunnen maken, en rondjes draaien en vallen, maar toch na enkele seconden rechtstaan. Ze doen alles waarvan ik wéét dat ik het niet kan. Zelfs niet als ik er 5 dagen, 18 uur en 8 minuten de tijd voor krijg.
[Ondertussen mag u nog steeds uw meest waanzinnige Spanje-belevenissen posten bij mijn sublieme smeekbede.]