3 november 2009

Eikebah en het gevoel.

Al heel mijn leven heb ik last van een bepaald gevoel. Vroeger kwam het altijd naar boven als ik een bad nam. Het werd getriggerd door de kalmte. Als kind had ik dan ook een enorme angst en zelfs als bijna-volwassene moet ik toegeven dat ik menig snelheidsrecord in de badkamer breek om te vermijden dat ik het gevoel opnieuw krijg. Het overwelmt me steeds wanneer ik rustig ben, wanneer ik een pauze neem. Alsof mijn geest het niet toelaat dat ik even harmonieus zou zijn.

Melancholie.

Het is geen juiste naam voor wat ik voel. Ik voel mijn hart letterlijk zwaar worden. Ik grijp ernaar. Er gebeurt niets. Het blijft zwaar en ik voel me even immens verdrietig. Even heb ik het gevoel dat ik zoveel mis. Ik probeer er een naam op te kleven. Het lukt niet. Ik voel hoe het gevoel uit me wegebt. Vreugde en tristesse. Ik wil het tegenhouden, want ik wil weten wat het nu is dat ik mis. Ik wil weten wat ervoor zorgt dat ik me zo voel. Ik wil het weg, want het weegt me te zwaar.

Ik staar voor me uit. Het is weg. Ik draai me om en begin met mijn volgende dagelijkse taak. Het komt wel terug. Hopelijk ooit met een antwoord.

28 september 2009

Eikebah en de vraag.

Oh jee, het lijkt alsof er weer een stilte over mijn persoon gevallen is. Ik begin zelfs een patroon te zien: hoe drukker mijn echte leven wordt, hoe leger deze internetpagina blijft.

Voor mijn stilte heb ik natuurlijk een excuus. Onlangs hoorde ik trouwens op televisie het woord ‘excuustruus’ en ik heb toen besloten dat dit woord het dagelijkse taalgebruik moet halen. Daarom zal ik mezelf voor de gelegenheid even bombarderen tot een excuustruus. Eerst was er de vakantie, dan het vakantiewerk, dan de laatste weken vrijheid en nu de eerste weken universiteit. Reden om even te bezinnen, me dunkt. En nu zit ik hier dus weer op kot in Leuven.

Er is trouwens iets dat me opvalt. Als ik in Leuven arriveer, voel ik me thuis in een stad die niet de mijne is. Ik vind dat vreemd, want ik voel me zelfs niet thuis in mijn boerengat. Hier voel ik dat dus wel. En dat gevoel jaagt me angst aan. Dat klinkt misschien allemaal raar, maar er zit een heuse (vrouwen)logica achter. Het is namelijk zo dat ik mijn relatie met deze kleine stad zou omschrijven als een haatliefdesrelatie. Het feit dat ik me thuis voel in zo een dubbele relatie jaagt me angst aan. De ene nacht voel ik me hier geliefd, de volgende voel ik me zo eenzaam dat ik in een hoekje ga zitten wenen. De ene dag voel ik me geïnspireerd en de volgende dag betreur ik de saaie, grijze waas. Leuven heeft me mijn mooiste dagen geschonken, maar Leuven heeft me eveneens de meest donkere dagen geschonken.

En eigenlijk heb ik maar één vraag meer aan Leuven. Eén kleine vraag. Komen die mooie dagen waarin alles nieuw en spannend was ooit nog terug?

30 juli 2009

Eikebah en waarom vliegtuigreizen nooit meer hetzelfde zullen zijn: The Sequel

Zij die hadden gehoopt dat ik vanaf nu zou zwijgen over vliegtuigen zullen nu wel teleurgesteld naar een andere webpagina zappen. Om één of andere reden kan ik namelijk niet stoppen met erover te praten. Het gaat zelfs zover dat ik het als random gespreksonderwerp gebruik wanneer ik niet goed weet wat zeggen. Ja, ik ben een sociaal gehandicapt kind.

Waarom ik vliegtuigen zo wonderbaarlijk vind, weet ik nog altijd niet. Toen ik heel erg klein was vond ik het zo enorm leuk om naar de lucht te kijken en daar strepen te zien die vliegtuigen aan het trekken waren. De idee dat daar – zo hoog en zo ver weg – mensen waren die – in mijn ogen – hun leven op het spel zetten om een stuk van de wereld te zien vond ik enorm avontuurlijk. Ik moet zelfs toegeven dat ik een grotere kick kreeg van dat idee dan van alle Indiana Jones films samen.

En nu ben ik zelf zo een avonturier. Ik moet eerlijk toegeven dat de rol mij niet enorm goed afgaat. Er zijn namelijk twee types mensen op een vliegtuig: het type dat uitermate kalm is en vliegen zo saai vindt dat ze na vijf seconden als een blok in slaap vallen en het type dat de hele reis lang als een cafeïneverslaafde op het puntje van zijn stoel zit en met beangstigend grote ogen het personeel aanstaart. Het spreekt voor zich dat ik tot de tweede categorie behoor. Zelfs nadat ik het lot al tien keer getart heb.

De laatste keer dat ik het lot tartte was zo een drie weken geleden. Dit keer tartte ik het lot wel heel erg hard, want het was een zeer korte reis. Voor zij die de logica hierin missen: een vliegtuig heeft het meeste kans op een crash tijdens het opstijgen en de landing en een korte reis is niet veel meer dan dat. En zoals al gezegd: ik weet té veel trivia over vliegtuigongelukken. Dus tijdens het opstijgen zat ik zoals altijd nonchalant naar mijn voeten te kijken. Het Lief – de waaghals – keek door het raam. Alles fijn. De gordels mochten terug uit en de mensen konden weer klagen en zagen over hoe weinig beenruimte er wel niet is. Iets wat ik – met mijn belachelijk korte benen – trouwens nooit echt begrepen heb.

Tot plots het lampje weer aan ging. De gordels moesten terug aan. Vreemd, vond ik, want ik merkte niet meteen iets op. Net zoals de andere passagiers die het lampje dan maar vrolijk negeerde. Zulke mensen wil ik altijd slaan, wat vrij onmogelijk is aangezien ik wel mijn gordel aandoe. Na een kwartier kwam echter de verklaring van het lampje: turbulentie. Nu, het was mijn tiende keer in een vliegtuig en ik herinner me mijn eerste turbulentie nog. No fun, om het kort te beschrijven. Wel, deze turbulentie was no fun in het kwadraat. Het vliegtuig begon zelfs zo hevig te schudden dat er enkele mensen begonnen te krijsen; duidelijk mensen van het tweede type. Ik daarentegen was me in stilte aan het voorbereiden op mijn wel zeer jonge dood.

‘Goh, ik moet het zeggen’, spookte het door mijn hoofd.
‘Is het niet wat té cliché? Het lijkt zo gestolen uit een tweederangs romantische komedie.
‘Nee, het moet. Mijn laatste woorden horen toch geen piepgeluidjes te zijn.’
‘Oké, ik ga het hem zeggen… Ik ben er klaar voor…

Net op het moment dat ik Het Lief wou verrassen met de meest melige speech in de geschiedenis van neerstortende vliegtuigen stopte de turbulentie. Zo kwam het dat ik voor de tiende keer in mijn leven een reis kon eindigen met de woorden ‘Ha, we leven nog! Ik ben zo blij! Al die mensen vinden dat maar vanzelfsprekend, maar ik ben tenminste elke keer oprecht gelukkig!’ En zo kwam het ook dat Het Lief nooit zal weten hoe melig mijn speeches kunnen zijn.

29 juli 2009

Eikebah en waarom vliegtuigreizen nooit meer hetzelfde zullen zijn.

Wel, ergens voel ik toch dat ik iets verontschuldigd ben aan de vijf mensen die mij niet uit hun feedreader gewist hebben en daarom ga ik iets vertellen over die lange tijd dat ik out of business was. In die maanden heb ik veel gereisd. En met veel bedoel ik wel degelijk veel. Spanje, New York, Denemarken en very soon een autotrip door Europa. Ik zit niet stil, moet ik toegeven. En van al die reizen is mijn reis naar New York de meest memorabele.

Als u zich afvraagt waarom, is het antwoord simpel: Het is New York. Het is een ander continent. Het is Amerika. Het is zoiets om casual conversations over te hebben bij mensen die zichzelf duidelijk te goed vinden. Maar hetgeen mij het meest bijblijft van New York is de vliegtuigreis. Vliegtuigen zijn sowieso al niet mijn ding. Elke keer als ik in een vliegtuig stap moet ik mezelf de godganse reis eraan herinneren hoe veilig vliegen wel is. Op een vliegtuig naar Denemarken valt dat nog mee, op een eeuwigdurende reis naar een ander continent not so much. Bovendien ben ik dan nog eens gans neurotisch en wil ik per se in de buurt van een nooduitgang zitten (serieus: ik kies altijd mijn eigen zetels) en denk ik de godganse vlucht aan alle mogelijke fouten die kunnen gebeuren. Bij die fouten gaat het dan louter over fouten die mij het leven kunnen kosten; zo had ik totaal niet ingecalculeerd dat ik de toiletdeur zou opentrekken wanneer een man zijn behoefte zat te doen. Geen schoon zicht.

Eens aangekomen in New York – voor zij die dachten dat er dus een spannend verhaal zou aankomen: guess again – was ik in alle staten. In realiteit was ik natuurlijk enkel in de staat New York en nog steeds niet verlost van mijn onwennige gewoonte om stomme woordspelingen te maken. Daar stonden we dan, in New York, hartje winter. Sneeuw in Central Park, ijsschaatsende mensen, halfvallende toeristen, een totaal geruïneerd bioritme. Alles wat een mens nodig heeft dus. En op dag drie kwam daar dan nog De Ziekte bij. Ik werd ziek. In New York. In Amerika. Ik werd héél ziek. De eerste dagen viel het nog wel mee, maar tegen het einde van de reis werd ik echt wanhopig. Ik stapte supermarkten binnen waar er zogeheten pharmacies waren en smeekte om hulp. Dat ik maar naar de kliniek moest, zeiden ze me daar. Ik nam de vrouw bij de kraag en trok haar over de toonbank om in haar gezicht te schreeuwen dat ik een arme toerist was en dat ik mezelf echt niet blut ging betalen aan ziekenhuizen. Uiteindelijk verliet ik de supermarkt/apotheek met een niet-werkende hoestsiroop.

En zo kwam het dat ik mijn laatste dag New York doorbracht met om de tien minuten pauzeren. Zo kwam het dat ik op mijn laatste dag New York slechts 1 banaan at. En zo kwam het dat mijn laatste dag New York vliegtuigreizen voor mij volledig veranderde. Ik strompelde door de beveiliging, werd uitgekozen voor extra controle en hield mijn mond dicht. Niet om mezelf meer verdacht te maken dan ik al was – really, I looked like shit – maar omdat mijn spraakcapaciteit mij volledig ontnomen was. Ik wankelde het vliegtuig waar alles werd klaargemaakt om de passagiers te laten slapen. Something I did not do. Eens op het vliegtuig werd ik me namelijk pijnlijk bewust van de banaan die in mijn maag zat en er blijkbaar héél erg graag uit wou. Op het vliegtuig werd ik aangestaard door mensen die nog nooit eerder iemand hadden zien overgeven op een vliegtuig. Op het vliegtuig werd er ontzettend vriendelijk gedaan tegen het – sorry dat ik het zo moet zeggen – oud wijf dat de hele tijd aan het kuchen was, maar geen aandacht aan het meisje dat daar koortserig lag te ‘spauwen’. Het personeel kwam me na die escapade wel melden dat ik een bepaald soort frisdrank moest drinken, want dat zou mijn maag kalmeren. Gevolg: een tweede kotszakje werd gevuld. Some good thinking there on that plane. Zeer glamoureus ook. Eens aangekomen in België was ik al vijf dagen belachelijk ziek en had ik héél erg lang niet geslapen. De vrouw die voor me zat trouwens ook niet, aangezien ik de hele vlucht Bejeweled moest spelen om mezelf wakker te houden zodat ik mijn ‘escapades’ onder controle zou hebben en ik niet plots zou ontwaken met voor me een ondergekotste Antwerpse. Erg veel begrip had ze er wel niet voor, maar ik deed het voor haar bestwil. Bon, ik kwam dus aan in België en ging onmiddellijk naar de dokter. Een wachtkamer vol mensen die er niet half zo ziek uitzagen als ik, dat stond er op me te wachten. Dat en een spiegelbeeld waar ik nog steeds nachtmerries van heb.

In de wachtzaal ontdekte ik een folder over griep. Uit pure verveling begon ik het te lezen – wat verdacht veel inspanning vroeg – en fluisterde ik tegen Het Lief: dat zijn àlle symptomen die ik heb. En toen ontdekte ik dat ik al zo lang geen griep meer had gehad dat ik vergeten was hoe het voelde en dat ik wellicht niet zou sterven – zoals ik op het vliegtuig all dramatic tegen Het Lief had gezegd.

En zo komt het dat ik geen vliegtuig meer kan opstappen zonder opnieuw aan die glorieuze dag te denken. Want ik, ik kan zeggen dat ik naar New York ben geweest én dat ik gekotst heb in een fancy vliegtuig. Ha! Als dat niet het meest walgelijke vliegtuigverhaal ooit is, weet ik het niet!

24 juli 2009

Eikebah en de toekomstige vakantiejob.

Kent u het gevoel? U bent zo blij met iets dat u in uw pyjama naar buiten wil lopen om aldaar vijf flikflaks na elkaar te doen, ware het niet dat uw carrière in de acrobatiek zich beperkt tot een scheve koprol. U bent zo blij dat u van uw stoel wil springen om nog snel die ene persoon in te halen die net vertrokken is, ware het niet dat u gegarandeerd met uw smikkel op de grond valt na net iets te enthousiast te zijn recht gesprongen.

En tegelijkertijd sijpelt de realiteit binnen en die werkelijkheid is altijd zowel hard als zacht.

Toen ik daarnet een mailtje kreeg met daarin de mededeling dat ik de job had gekregen pieste ik bijna in mijn broek en stond ik op het punt om op mijn bed te springen, al luid ‘suckers’ scanderend naar mijn ingebeelde concurrentie. Maar net toen ik het laken van me had afgeslagen, sijpelde de harde kant van de realiteit binnen.

Meer dan een maand interviews transcriberen. Is dat écht zo lang als het klinkt?

22 juli 2009

Eikebah en haar ‘geboeidheid’.

Er zijn zo van die dingen die ik oneindig lang kan doen, dingen die mij tot in den treure blijven boeien. Ik ben zeker dat ik hier niet alleen in ben. Ik kan – zelfs nu ik elke aflevering al van buiten ken – nog steeds geboeid naar de serie Friends kijken én ik kan nog steeds als een schaap blijven hopen dat het toch maar goed komt tussen Ross en Rachel, ook al wéét ik wat er gaat volgen. Toegeven doe ik dit niet, want Friends is out en de relatie tussen Ross en Rachel – en wat dat betreft tussen alle andere vrienden – is zo uitgemolken en voorspelbaar dat het eigenlijk niet meer hoort te boeien. Zeker niet wanneer je echt élke aflevering vanbuiten kent.

Hetzelfde geldt voor muziek. Mijn vrienden – goede en ook minder goede – linken het nummer Magdalena van dEUS onmiddellijk aan mij. Eén van de meest ontroerende momenten in mijn jonge leven is nog steeds toen mijn twee beste vriendinnen en ik hadden afgesproken om ’s avonds in den hof te keuvelen. Aan dat fenomeen op zich is niets ontroerend, I have to admit, maar toen ik in alle hevigheid opperde dat Magdalena stande pede moest opgezet worden en dat dit gevolgd werd door een – niet meteen hoogstaande – zangpartij schoten de tranen toch in mijn ogen. Ja, ik geraak geëmotioneerd wanneer mijn vriendinnen mijn favoriet nummer compleet – en soms zelfs beter dan ik – vanbuiten kennen. Ik heb namelijk hetzelfde. Sommige nummers doen mij aan iemand denken en alleen daardoor vind ik het een goed nummer, alleen daardoor zet ik het op en alleen daarom ken ik de tekst. Het geeft me dus een bepaald gevoel van geliefdheid. Al zal ik dat ook nooit toegeven, want ik ben liever de ruwe bolster dan de blanke pit.

En als er de laatste maanden één ding is dat ik tot in den treure kan doen dan is het wel luisteren naar Wake Up van Arcade Fire. Al is het maar omwille van deze strofen:

Something filled up my heart with nothing, someone told me not to cry.
But now that I’m older, my heart’s colder and I can see that it’s a lie.

Children, wake up, hold your mistake up before they turn the summer into dust.
If the children don’t grow up, our bodies get bigger but our hearts get torn up.
We’re just a million little Gods causin’ rain storms turning every good thing to rust.
I guess we’ll just have to adjust.

En u? Wat boeit u?

20 juli 2009

Eikebah en de kutdag.

Bestond er maar zoiets als een dagvoorspelling. Dat je ’s avonds je televisie kon begapen en dat Frank of Sabine je met hun grootste glimlach zouden zeggen: ‘Morgen loont het de moeite om op te staan, want je gaat een ge-wel-dig-e dag hebben’. Of had iemand mij maar gewaarschuwd: ‘Morgen ga je een off-day hebben. Be aware!

Maar deze morgen sprong ik nog als een lenige gazelle uit bed; voor zover gazelles in een bed slapen en eruit kunnen springen, natuurlijk. Ik ging er mijn tanden inzetten. Op naar mijn sollicitatie om met een contract naar huis keren en aldaar een reis te plannen waar Het Lief zijn mond van zou openvallen samen met volgende woorden: ‘Sorry, Eikebah, dat ik ooit aan uw plan- en reiskunsten getwijfeld heb’. En zo kwam het dan ik om iets na negen met de trein arriveerde in het pittoreske Leuven City.

Het begint al met het solliciteren: In mijn tijd – en ja, ik zit op tram 2 dus ik mag beginnen met zulke uitspraken – was solliciteren voor een vakantiejob hetzelfde als uw naam onder een contract zetten. Sinds ik mijn vaders aanbod geweigerd heb om op zijn werk te gaan arbeiten, ondervind ik dat solliciteren voor een vakantiejob nowadays het nieuwe zwart is. Het was sowieso al compleet achterlijk van mezelf om het voorgenoemde aanbod af te slaan – u kent het wel, het typische ‘ik ben oud genoeg om zelf véél leuker werk te vinden en op eigen benen te staan’. Niet dus. Uiteindelijk liep de sollicitatie uit op de ietwat vreemde situatie dat ik de verantwoordelijke voor de jobs het verschil tussen jobstudent en tussen werkstudent moest uitleggen. Tot tweemaal toe. Om dan te horen dat Het Bedrijf wellicht wel een werkstudent zou zoeken en dat er geen haar op mijn kop aan denkt om tijdens mijn thesisjaar werkstudent te worden.

Kleine tegenvaller. Ik zou mezelf trakteren op het lekkerste broodje van Leuven. En dus wandel ik. Compleet uit de richting, maar de stad is klein. Zo klein dat ik toch wel vanop 100 m kon zien dat het vervloekte etablishement gesloten was. Maar ik ben dapper en trek verder richting Randstad, want Randstad heeft het voor u. Voor mij hadden ze alleszins niks. De zoektocht ging voort: richting Carrefour. Maar helaas: geen werk, wel middageten.

En dus kwam ik thuis. Zonder contract. En dus kwam ik thuis. In mijn mooie sollicitatie-outfit, met mijn chique schoenen. En dus kwam ik thuis. Met een hoop bleinen. En dus kwam ik thuis. En kon ik mijn 34e mail sturen in de hoop dat ik elders wel aangenomen zou worden. En dus kwam ik thuis. Met mijn middageten dat uiteindelijk totaal niet te vreten was (mayonaise op een broodje té zoute américain, what?). En dus kwam ik thuis. Met een Kinder Bueno, maar die is op en mijn bleinen verhinderen me naar de overkant van het drukke kruispunt te strompelen om een kar vol chocola te kopen. Misschien vind ik dat nog wel het ergst.

16 juli 2009

Eikebah en haar wederkerend probleem.

‘Wanneer ga ik nog eens schrijven?’, vroeg ik mezelf enkele maanden geleden af terwijl ik een artikel aan het afwerken was. Niet dat je het per se een artikel kon noemen; ikzelf zou het eerder een ontnuchtering noemen. Het enige dat duidelijk was, was dat hetgeen ik aan het doen was niet schrijven was. Eerder herschrijven. En herschrijven blijkt – net als schrijven – mijn sterkste kant niet te zijn. Eén van de weinige dingen die ik intussen wél geleerd heb. Verder heb ik ook geleerd dat ik ondertussen mijn 21e levensjaar nader en hoe ouder ik word hoe minder zekerheid ik heb over wat ik eigenlijk wil doen met mijn leven.

Ik ben ontgoocheld door de journalistiek. Zij hebben mij gezegd dat schrijven not my cup of tea is, zij het in mooiere bewoordingen. Ik heb hen maar niet gezegd wat ik dacht. Ik gaf hen er wel gelijk in, er zijn échte talenten en daar hoor ik niet bij, maar zij evenmin. Pessimisten zijn het en hoewel ik moet toegeven dat zwart mij goed afgaat, had ik er na een maand toch echt genoeg van. Het enige dat schrijven mij geleerd heeft, is hoe te zwijgen.

Dus hier zit ik dan. Met een universitair bachelordiploma Communicatiewetenschappen en een onderscheiding in de ene hand en een master in de toekomst. Maar wat ben ik er in godsnaam mee? Ik kan moeilijker schrijven – er blokkeert iets. Dus de enige reden waarom ik aan de opleiding ben begonnen – om journaliste te worden – is er niet meer. De fundering is weg. En de toekomst daarmee ook. Ik ben terug bij af, bij wie ik echt ben: iemand die niet kan kiezen. Ik wéét simpelweg niet wat ik wil.

Als kind was ik altijd de eerste om in vriendenboekje mijn droomjob te noteren. Als ik dat nu opnieuw lees – want ja, ik was zo een kind dat ook voortdurend in haar eigen vriendenboekje schreef; ik was mijn eigen beste vriendin – dan haal ik vaak een wenkbrauw op. Leerkracht? En wat dan met al die kwetsende opmerkingen van de kinderen en – worst case scenario – hun ouders? Verkoopster? En wat dan met al die klanten die heel uw winkel zodanig overhoop halen en zodanig onvriendelijk zijn dat je je geloof in de hele mensheid verliest? Dierenarts? En wat dan met mijn heilige eed dat mijn hand steeds verder dan 20 cm van de reet van een koe verwijderd zou zijn?

Zeg mij. Zijn er eigenlijk leuke jobs? Is er een oplossing voor dit ‘luxeprobleem’?

8 oktober 2008

Eikebah en haar vrouwelijk kantje.

‘Oh God, dit is wéér zo een dag’, wou ik roepen nadat ik net een baksteen doorheen het raam van een niet nader genoemd interim-kantoor wou gooien. In plaats van deftig te zoeken achter zo’n steen, besloot ik maar af te druipen en mijn wraakacties op een veel intellectueler niveau te parkeren. Ja, plots zag ik een toekomst voor mij waarin ik een eigen interim uit de grond stampte die zoveel beter was dan kantoor X. Ik zag mijn interimkantoor het andere volledig opslorpen. Mind you, we hebben het hier over één van de grootste kantoren in België. Ambitie, ik heb het!

Dus daar stond ik dan, met een brood in mijn armen op de Bondgenotenlaan. De studentenadministratie gesloten en het interimkantoor ook gesloten. Zoiets kan zéér zwaar tegensteken op een mindere dag in de vrouwelijke cyclus, I can assure you. Mijn kot nabij de ring van Leuven, geen fiets. Het waren ik en mijn voeten. En dus deed ik wat ik altijd doe wanneer ik kwaad ben: lopen. Aangezien ik daar ook vaak te lui voor ben, hield ik het op een gedreven snelwandelen. Mind you dat dit zich allemaal afspeelt op de Bondgenotenlaan en dat het niet evident is om daar te snelwandelen tussen al de raamklevers.

Ik wandel. Snel. Ik neem de etalages in mij op zoals het hoort: als een sneltrein. En toen plots was het daar. Ik was de etalage al voorbij gesneld, omdat ik nu eenmaal aan het snelwandelen was. Ik besloot op mijn stappen terug te keren en zelf een raamklever te worden. Het waren ik en mijn voeten. Ik, mijn voeten en een prachtig paar botten om deze in te proppen. Ik keek naar het prijskaartje en wou voor de tweede keer die dag een baksteen door een etalage smijten. Oneerlijke wereld, it was.

Ik wou al die mensen wel eens weg uit mijn Leuven. Gisteren hoorde Leuven een verlaten boerengat te zijn. Maar dat was het niet. Dus besloot ik een alternatieve route te nemen naar mijn kot. Een rustigere route. Het zou mij kalmeren en mijn hormonen zouden één kunnen worden met de natuur. All fun and games, ware het niet dat ik mezelf 10 minuten later bevond op de Kapucijnenvoer en geen flauw idee had hoe ik terug naar mijn kot moest. Leuven, ik ben er al drie jaar, maar afwijken van het pad is nog steeds niet aan mij besteed. Dus wou ik maar een baksteen op de Kapucijnenvoer smijten.

Oh ja, gisteren was weer zo een dag. Met een scheefgezakt brood kwam ik aan op kot. Vier uur later, daarentegen, kwam ik met een paar retedure schoenen aan op kot. Volgende keer opteer ik toch maar voor de baksteen-piste.

2 oktober 2008

Eikebah; die dacht dat ze in de hoerenbuurt van Madrid al slecht sliep.

‘Dit is zo een dag’, bedacht ik me vanmorgen toen ik met mijn linkerhand een handvat vast had en in mijn rechterhand een tree geklemd had. Ja, dit was duidelijk zo’n dag. Tijdens het wandelen naar wat het enige lichtpunt van de dag kon zijn, was ik van de trap gevallen. En daar lag ik dan. Proberend om mezelf in evenwicht te houden zodat ik niet helemààl van de trap zou donderen.

Het begon allemaal om middernacht, wat technisch gezien het begin van de dag is. Om middernacht wou ik gaan slapen, want op sommige dagen ben ik nu eenmaal een kneusje. Er bleken andere mensen te zijn die niét om middernacht wouden gaan slapen. Zoals mijn overbuur, bijvoorbeeld. Mijn overbuur is volgens mij allergisch aan een aantal zaken. Ik zal u in de volgende lijst met puntjes mijn overbuur schetsen zoals ik hem schets voor mezelf:

  1. Hij is nooit alleen. In de twee weken dat ik hier zit, heb ik hem nog NOOIT alleen gezien. NOOIT. Zelfs niet op de trap. NOOIT. Altijd is er iemand bij. Of om correcter te zijn: meerdere personen. Which is very confusing, want ik heb dus geen flauw idee wie van hen nu de eigenlijke kotgenoot is.
  2. Hij speelt gitaar. Na middernacht. Wanneer ik ziek in mijn bed wil liggen. Of wanneer ik het kneusje wil uithangen.
  3. Hij zingt. Op datzelfde tijdstip.
  4. Zijn vrienden zingen ook. Op dat tijdstip.
  5. Hij doet een beetje druuuuuuuugs. Wat mij geen r**t kan schelen, ware het niet dat de geur mijn kamer op sommige momenten infiltreert.
  6. Op de momenten dat ik hem vriendelijk wil aanspreken over bovenstaande feiten, komen er vanuit allerlei gaten en hoeken plots vrienden van hem opduiken. Een beetje beschreven zoals in punt A.

You get the point. Al dagenlang houdt hij hier kotfeestjes and frankly, my dear, I couldn’t care less. Ware het niet dat dit zo’n dag is. Want van de vier avonden dat ik hier écht rustig wou slapen, was dit al de vierde avond dat hij mij dat verhinderde. De avonden dat ik gewoon tot een kot in de nacht weg was duidelijk niet inbegrepen, dus. En zo begon mijn dag.

En toen werd ik wakker. Ik wou niet wakker worden, laten we daar eerlijk in zijn. En ik wou al zeker niet tegen de vlijmscherpe hoek van het bed lopen. Pijn. Ik wou slapen. Of nee: Ik wou kunnen slapen wanneer ik dat wou. Ik zou gaan douchen. Douchen, het enige lichtpunt in mijn dag. Ik vond mijn sloefkes niet. Ik werd hysterisch. Het Lief vond de sloefkes voor mij. Ik deed ze aan en begaf me richting douche.

Daar lag ik dan, met in mijn linkerhand een handvat en in mijn rechterhand een tree. Mijn been lag in een onnatuurlijke positie dus ik stelde me recht. Ik deed alsof er niets aan de hand was en ging naar de douche. Maar ik maakte een plechtige belofte. Vandaag zou ik hem aanspreken, want als ik niet slaap word ik een gevaar voor de samenleving. En dus spitste ik mijn oren toen ik vandaag een jongen achter me hoorde binnenkomen. Dit was mijn kans!

Ik keek, wachtte enkele seconden, stapte zo traag dat ik me een oud vrouwtje voelde en… merkte dat hij weer niet alleen was. Seriously, dude, hebt gij verlatingsangst ofzow?

7 september 2008

Eikebah vertrekt.

Ik denk dat ik maar eens naar Spanje ga.

Oh ja, als het vliegtuig van Brussels Airlines dat maandagmorgen vertrekt om 06h30 crasht, steekt dan maar allemaal een kaarsken aan voor mij.

4 september 2008

Eikebah, die 3 jaar geleden had moeten luisteren naar haar leerkracht Economie, maar dit niet deed.

Studiekeuzes. Het is iets waar ik 3 jaar geleden niet van wakker lag. Toen had ik nochtans alle reden om ervan wakker te liggen, maar ik dacht daar toen anders over.

“Ik word journalist”, vertelde ik aan geïnteresseerden. “Voor een enorm prestigieuze krant of een bekend tijdschrift en tientallen jongeren gaan naar me opkijken, omdat ik zo’n interessante artikels zou schrijven dat ze er in no time stijve tepels van krijgen’.

Ik had ambitie, als kind. En mijn omgeving juichte me toe.

“Gij moet schrijven, gij kunt dat goed.”, zeiden ze me. “Gij hebt tàlent”, klonk het.

Ik had geloof, als kind. Ik geloofde de mensen die me fluisterden dat ik talent had. Ik zou iets betekenen in de wereld. Ik stelde alles af op mijn schrijven, omdat het het eerste compliment was dat ik had gekregen. Het was het eerste waarvan iemand me ooit zei dat ik er goed in was.

Studiekeuzes. Drie jaar later lig ik ’s nachts steeds vaker wakker. Of ik wel de goede keuze heb gemaakt. Ik heb het gevoel dat ik wég wil waar ik nu ben. Qua academisch succes heb ik er nochtans geen reden voor. Ik weet niet hoe herexamens voelen en ben er vrij zeker van dat ik mijn Master Communicatiewetenschappen makkelijk in vier jaar kan afleggen. Nee, dat is niet de reden van mijn kopzorgen.

’s Nachts lig ik wakker. Ik denk aan wat ik niét heb gekozen. Ik kijk terug naar het verleden en zie dat ik mezelf een beetje voorgelogen heb. Ik zie dat ik mijn eigen leugen geloofde. Maar een oude wijsheid vertelt me stilletjes in mijn oor dat hoe snel de leugen ook is, de waarheid haar wel inhaalt. En dat moment is aangebroken, vrees ik.

“Ik wil geen journalist worden”, vertel ik aan geïnteresseerden. “Het is oneerlijk een 17-jarig kind zo’n beslissing te laten nemen. Ik wist niet wat ik deed. Schrijven is niet mijn talent.’

“Ge hebt fout gekozen”, zeggen ze me. “Maar wij ook.”

Of: Hoe mensen volwassen worden en de wereld rondom hen ook. Of: Hoe ik stilaan begin te beseffen wat ik écht wil en hoe dat for some reason onmogelijk lijkt.

23 augustus 2008

Eikebah en haar droevigste film ooit.

‘Bambi’. Hét antwoord als je aan mensen vraagt welke film de meest droevige is. Daarop volgt dan een hele uiteenzetting over de dood van de moeder en Bambi die daar alleen achter blijft, zo moederloos. Natuurlijk wil het lot dat ik enorm tegendraads ben, zelfs als ik dat niet wil, want Bambi kan mij tot geen tranen bewegen. Nooit. Ik kan mij zelfs niet herinneren dat ik als kind geweend heb bij Bambi. Waarop u kan opperen dat het menselijk geheugen slecht is. Wat natuurlijk de volledige waarheid is, maar ik kan met gemak tientallen films opnoemen waarmee ik als kind wel geweend heb.

En één van die films is Frank en Frey, voor de echte hardcore filmliefhebbers onder ons ook wel The Fox and the Hound genoemd. Frank en Frey is mijn Bambi. Bij Frank en Frey huilde ik elke keer opnieuw. En opnieuw. Zélfs als ik ‘m twee keer achter elkaar keek. Zélfs als ik hem twee keer achter elkaar keek en de tweede keer mijn hoofd bij elke triestige scene onder een deken stak en weigerde het deken van mijn hoofd te tillen. Het leek wel alsof mijn hersenen één of ander automatisme hadden ontwikkeld. En u weet wat ze zeggen van automatismen: die gaan nooit weg.

Indeed so, want zelfs als verbitterde puber kon ik erom wenen. Indeed so, als (bijna) volwassen vrouw moet ik er nog steeds van bleiten. En indeed so, ik heb niet eens de hele film nodig, dit fragment is méér dan genoeg om een traan van mijn wang te voelen rollen. I am thàt easy.

13 augustus 2008

Eikebah leert proeven.

Over een week ben ik te fier om dit toe te geven, dus doe ik het nu maar:

Voor het eerst proef ik hoe bitterzoet smaakt en ik moet zeggen dat ik het niet lust.

12 augustus 2008

Eikebah en de Melige Post.

Sommige woorden laten je niet los. Sommige woorden achtervolgen je, of je dat nu wilt of niet. Toegegeven zijn het vaker negatieve woorden die me achtervolgen, omdat die nu eenmaal diepere wonden snijden. En dus terwijl ik druk bezig was met weg te lopen van al dat negatieve, bevond ik me plots in Diest. Dat ligt ergens in de buurt van Aarschot, want die treinhalte gaat eraan vooraf.

Daar stond ik dan, in Diest. Het was er verlaten, exact zoals ik me het voorstelde. Ik liep verdwaasd naar de verschillende bushalten en vond diegene waar ik moest zijn. U moet weten dat mijn geografische kennis ophoudt bij de exacte situering van mijn boerengat op de Belgische kaart. Ja, u kan mij een blinde kaart geven en ik kan exact zeggen waar mijn dorpje ligt. Of om eerlijker te zijn: waar dat naburige boerengat ligt waar ik middelbare school gelopen heb. Want in plaats van ons nuttigere dingen te leren, leerden ze ons het spuuglelijke dorp aan te duiden op een blinde kaart. Dus stond ik daar in Diest, met in gedachten een kaart zo blanco als diezelfde blinde kaart. Ik herhaalde voor mezelf welke bus ik moest nemen. Ik was 100% zeker van het nummer, maar zoals dat wel vaker gaat met bussen waren er twee exemplaren van. Er zijn namelijk ook twee rijvakken en twee rijrichtingen. Daar ging mijn oh zo geweldige plan.

Op het moment dat ik het officieel wou opgeven en mezelf de domste kalle van België wou noemen, kwam er meer volk. Eindelijk. En nog meer volk. En daar stond ik dan, in het midden van een mensenzee. Mijn kampeergerief netjes in mijn buurt. De mensenzee had ook op wonderbaarlijke wijze mensen meegenomen die ik kende. En die kennissen hadden dan weer mensen meegenomen die ik niet kende. Ik was al helemaal in mijn nopjes, want ofwel zouden we en masse de juiste bus nemen ofwel zouden we met véél te veel volk de foute bus nemen. En hoewel dat tweede niet leuk is, is het toch leuker dan helemaal alleen een verkeerde bus nemen, niet? Ja, zo dacht ik er ook over.

De tijd tikte weg en bij het onbekende gezelschap van mijn gekend gezelschap was een klein, fijn meisje. Ongeveer een jaar jonger, als ik me niet vergis. Ze was duidelijk een lichtgewichtje en dat werd om één of andere duistere reden het gespreksonderwerp. Nee, ze woog niet veel, nee. Maar ik woog toch ook niet veel, ik woog vast even veel! Of dat wist ze me toch te vertellen. Er zijn verschillende gezichtsuitdrukkingen die ik op dat moment op mijn gezicht kon toveren, maar ik koos ervoor een denkbeeldige wenkbrauw op trekken. Hoeveel ik dan woog, vroeg een jongeman, die onmiddellijk daarna besefte dat zowat alle vrouwen waaraan hij dat eerder gevraagd had hem hadden verwenst naar een bad vol zwavelzuur. En dus praatte ik over dat gewicht van mij en over hoe het er was afgegaan.

En toen, uit het niets, zei dat meisje iets tegen mij. Nog nooit eerder had een volledig onbekende die vijf woorden tegen mij gezegd. En al zeker geen vrouw. En al zeker geen hetero vrouw die duidelijk geen love affair met mij wou beginnen. Ik ging op zoek naar sarcasme in haar stem, maar ik vond het niet.

‘Gij zijt een mooi meiske’, hoorde ik haar zeggen.

‘Dankuwel’, antwoordde ik, waarbij ik wellicht tomatenrood werd en alle eerder opgemerkte schoonheid volledig van mijn gelaat verdween.

Sommige woorden laten je niet los. Sommige woorden achtervolgen je, of je dat nu wilt of niet. En nu heb ik toch al vijf positieve woorden die het kunnen opnemen tegen het ongewenste.

10 augustus 2008

Eikebah en de stagnatie.

De die-hards onder jullie weten wellicht nog wel dat er een tijd was waarin ik 80 kilogram woog. 80 kg voor een iemand van 1m64. Dat is niet eens een categorie op de Olympische Spelen bij de vrouwen, hoor, I have noticed. Voor de mensen die niet thuis zijn in gewichten en lengten: dat is een BMI van 29.7 en vanaf 30 heeft een mens officieel obesitas. Dat gewicht kan een logische oorzaak geweest zijn voor mijn gebrek aan kunde tijdens de lessen L.O. in mijn jongere jaren en was tevens een logische oorzaak van mijn hele ‘ik heb zoveel reality shows gezien waarin mensen kweeniehoeveel afvallen dat ik dat ook ga doen en veel beter ga doen, want ik moet overal de beste in zijn om gelukkig te zijn’-missie. Want ja, als 17-jarige had ik een missie, hoor.

Dus, hop, ik naar de fitness, want dat was hip. En het werkte. Ik zag de kilo’s verdwijnen en voelde me enorm goed, want ik deed aan sport. Ik deed aan sport. U kan zich voorstellen dat mijn leerkracht L.O. toen wel degelijk steil achteroverviel en ergens een herwonnen respect voor mij begon te krijgen. Ik dàcht dat ik eveneens over een herwonnen respect voor mezelf begon te beschikken, but little did I know dat ik een beetje té geobsedeerd begon te worden. Want zoiets tonen ze niet op televisie, hoor. Elke week op die weegschaal gaan staan. De eerste weken zoveel gewicht verliezen dat je denkt dat je some sort of Zeus bent, om vervolgens uw gewicht te zien stagneren. En stagneren. En stijgen. En stagneren. U kent het wel.

Ik ben een geboren winnaar en stagnatie staat niet in mijn woordenboek, moet u weten. Dus ging ik harder trainen. Ik ging minder eten. Ik kreeg elke keer zwarte vlekken voor mijn ogen, maar hield dat compleet voor mezelf en zette mijn dieet van tomatensoep, vijf beschuiten, drie cracotten en fruit verder. Maar het bleef stagneren en ik werd het beu. Want zelfs de beste geboren winnaar kan niet op tegen de wetten van de natuur die ze op dat moment aan haar lichaam toeschreef. Ik besloot dat 65 kg het minste was wat ik kon wegen of anders zou ik wellicht imploderen. Een mens moet zich met sommige gedachten kunnen troosten, I guess, en ik dichtte mezelf maar graag de eigenschappen van een supernova toe.

En toen gaf ik mijn absoluut rigide en streng dieet de brui. Ik had er meer dan genoeg van. Ik wou voor het eerst in een jaar ook wel eens weten hoe chocolade alweer smaakte. Weg gingen mijn principes. En samen met mijn principes gingen ook mijn kilo’s weg. Ja, u leest het goed. En zo komt het dat ik al ongeveer een jaar 59 kg weeg. Er staat een vijf voor mijn gewicht en ik ben er zo fier op dat ik mezelf as we speak zou kunnen volproppen met chocolade, ware het niet dat er geen in huis is. Al een jaar, beste mensen, ben ik op gewicht. I guess dat ’stagnatie’ ondertussen alsnog toegevoegd is aan dat woordenboek van mij. Dit is werkelijk beter dan ik in mijn hele leven gepresteerd heb. Kan ik overigens ook even vermelden dat de laatste keer dat ik 59 woog, ik 11 jaar jong was. Graag een applaus, ofzo.

9 augustus 2008

Eikebah, de Olympiër.

De Olympische Spelen. Ik kan geen gazet openslaan, geen televisie opzetten, geen radio beluisteren of ze zijn er. Maar dat zijn niet de enige dingen die ik niet kan doen. Zo zijn ze ook omnipresent op hét internet en als ik nu plots Euromillions win, dan zou ik ook niet naar China kunnen reizen zonder er constant op het hart gedrukt te worden dat er duizenden mensen beter zijn in iets dan ik. Want dat is de harde realiteit, maar enkel tijdens de Olympische Spelen ben ik me hiervan pijnlijk bewust. Zeer pijnlijk.

Als ik naar de Olympische wielerwedstrijd kijk, krijg ik al zweetuitbarstingen van de gedachte alleen al dat die renners aan het rijden zijn. Vanaf het moment dat ik me mezelf inbeeld dat ik 250 km moet rijden, krijg ik zware hartkloppingen en voel ik me genoodzaakt de post te veranderen naar het lichtzinnigere Vitaya. Waar ik dan alweer uren commentaar kan spuien op heruitzendingen van heruitzendingen van interieurprogramma’s. Om daarna alweer doodgeslagen te worden door de Spelen.

En dan bedenk ik me dat ik eigenlijk al die dingen ook wel kan.

*Lezerspubliek valt en masse van hun stoel bij deze laatste zin.*

Ja, u leest het goed. Ik kan al die dingen eigenlijk ook wel. Ik kan fietsen. Ik kan tegen een bal schoppen. Ik kan zwemmen. Als ik zou moeten roeien, zou ik het wellicht ook wel kunnen. Ik kan mezelf perfect over de schouder laten zwieren door een judoka. Ik kan àlles. Natuurlijk wel significant slechter dan die sporters, maar het is niet fysiek onmogelijk voor mezelf om dezelfde wegrit in ongeveer 5 dagen, 18 uur en 8 minuten af te leggen. Maar er is één ding, één ding dat ik niet kan. Ik kijk er met open mond naar, staar af en toe en probeer de nare herinneringen uit mijn hoofd te bannen.

Ondertussen is het al zowat twee jaar geleden dat ik nog een les L.O. moest uitvoeren, maar ze branden nog altijd in mijn herinnering. De hel, alsof de hele middelbare school nog niet hellig genoeg was. Want L.O., dat was mijn buisvak. Hard. Ik kon er allemaal niets van, ik kon met moeite een les overleven. En als er één trimester was waarvan ik het meeste schrik had dan was het wel van dat waarin gymnastiek werd gegeven. Want schoppen tegen een bal kon ik wel goed genoeg om een vijf te krijgen. Lopen kon ik wel goed genoeg om een 4 te krijgen. Maar gymnastiek kon ik zo slecht dat ik er hevige nachtmerries van had. Zeer hevig.

De basis was dat je je eigen gewicht moest kunnen dragen. Iedere normale mens kon dat, volgens mijn leerkracht. Dus moesten we ons optrekken aan één of andere stok. ‘Yeah right, dat elke mens dat kan’, dacht ik en zag tot mijn afgrijnzen dat zelfs de meest sukkelige zwakkelingen zich naar boven konden trekken. En ik wist exact wat er ging gebeuren als ik dat zou proberen. En exact dàt gebeurde ook toen ik het probeerde.

Niéts.

Ja, u hoort het. Er gebeurde niéts. Behalve dan dat een frustratiegolf mijn toenmalige leerkracht raakte en dat ze maar bleef proberen mij boven te krijgen. Which did not work, natuurlijk. Dus gebeurde er nog meer niets.

En nu, twee jaar later, staar ik nog altijd naar al die gymnasten. Die salto’s kunnen maken, en rondjes draaien en vallen, maar toch na enkele seconden rechtstaan. Ze doen alles waarvan ik wéét dat ik het niet kan. Zelfs niet als ik er 5 dagen, 18 uur en 8 minuten de tijd voor krijg.

[Ondertussen mag u nog steeds uw meest waanzinnige Spanje-belevenissen posten bij mijn sublieme smeekbede.]

7 augustus 2008

Help mij en verdien mijn eeuwig respect.

You may or you may not know it, maar over een maand zit ik met mijn kont in Spanje. Mijn Lief zijn kont, daarentegen, is een veel gelukkigere kont, want zijn kont bevindt zich nu in Alaska en later bevindt zijn kont zich naast mijn kont in Nederland en Spanje. En u maar denken dat het woord “kont” nooit zeven keer gebruikt kon worden in drie zinnen, boy, were you wrong.

Maar bon. Ik ga dus over een maand naar Spanje. Nothing special, zal u denken en dat is het ook niet. Ware het niet dat Het Lief een beetje een neurotisch trekje heeft over planningen maken. Ja, terwijl ik allemaal schoenen sta te ordenen en tantrums gooi over eten, zit Het Lief te flippen over zijn planningen. Dàt is hoe onze relatie gaat, beste mensen. Aber, eerlijkheid dient me te zeggen dat zijn planningen op geen zak trekken. Maar echt op geen zak. Wegens tijdgebrek, he says. En ik heb momenteel een beetje een tijdoverschot, I says. Dus stelde ik voor om zelf een planning op te stellen.

Op het moment dat ik dat voorstelde, kreeg Het Lief al halve paniekaanvallen. Over hoe ik àlles moest opzoeken en overal de pagina’s bij vermelden en dit en dat en blabla. Yes, I stopped listening, want ik was al helemaal overtuigd dat mijn planning de beste planning allertijden zou zijn. Maar Het Lief bleef me angstvallig aankijken. Zeer angstvallig. Hij zei eindelijk waarvoor hij het meeste schrik had: ‘De dagen niet overboeken he, niet te veel op één dag’. Want terwijl Het Lief het best wel ziet zitten om in de namiddag rustpauzes in te lassen, ben ik eerder diegene die blijft gaan en gaan en gaan en gaan. Tot ik aan de andere kant van Spanje ben, weetwel. Ik zei hem dat ik de planning nog strakker zou maken dan de planning van Italië en zag dat hij een zenuwinzinking nabij was.

Aber twee dagen later kan ik met zeer veel trots zeggen dat mijn planning af is. Yes, I really did work two days on the biatch, want als ik mezelf moet bewijzen dan doe ik dat goed. Té goed. Maar als ik naar de planning kijk dan ontbreekt er iets. Human feel. En that’s why I need you. En met ‘you’ bedoel ik ‘jullie’. Al mijn lezers. Alle tien!

Geef mij tips over Barcelona, Valencia en Madrid of dorpjes in de dichte nabijheid van deze steden. Zeg mij waar u uw lekkerste fruitsap gedronken hebt, waar u het langst hebt moeten aanschuiven, waarvan u het steilst achterover viel en waarvan u het meest teleurgesteld was. Vertel mij uw geheime plekjes, uw verhalen. Alles. En zorg ervoor dat uw comment langer is dan deze blogpost. Geef mij uw tips die mijn reis en mijn planning zo zullen veranderen dat ik stande pede een standbeeld voor u zal oprichten.

[Als u liever niet comment, omdat u uw geheime plekje enkel aan mij wil mededelen dan kunt u ook mailen op eikebah[at]gmail.com]

6 augustus 2008

Het Lief, ik en Het Besef.

You may or you may not know it, maar Het Lief zit momenteel met zijn kont ergens in het verre Alaska. Iets in mij hoopt dat diezelfde kont er op zijn minst een klein béétje afvriest, maar zoiets mag – naar het schijnt – niet gezegd worden. Want ik gun het hem wel hoor, zijn weekjes Alaska, maar toch… Maar toch.

Omdat Het Lief in een andere tijdszone zit en PMS weldra aan mijn deur zal staan kloppen, is het ook het perfecte moment voor een melige post. Mensen die gevoelig zijn voor zulke posts, kijken nu best ook even weg en kunnen misschien iets leren over Alaska.

Bon, Mission Meligheid. Het Lief en ik zijn een beetje tegenpolen, op momenten. Meestal op momenten waarop hij zegt dat tegenpolen elkaar aantrekken en ik daarop antwoord met “een relatie is geen pure fysica”. Ik heb nooit gezegd dat ik een gemakkelijke ben, he. Het Lief en ik, wij zijn niet van hetzelfde hout gemaakt. Bij ons is 1 + 1 nog altijd 2. Als we ruzie hebben, wordt er bij mij één of andere emotionele vloedgolf veroorzaakt die ervoor zorgt dat ik dingen uitkraam zoals “misschien zijn we niet voor elkaar gemaakt”. Als we ruzie hebben, wordt er bij Het Lief één of andere rationele vloedgolf veroorzaakt die ervoor zorgt dat hij dingen uitkraamt zoals “slaap er nog eens een nachtje over”. U kunt zien dat dat voor de emo in mezelf géén correct antwoord is op éénder welk probleem waarmee ik op dat moment kamp. Zelfs niet als het probleem iets te maken heeft met moe zijn. Hij verwijt mij mood swings, ik verwijt hem gevoelloosheid. Wij verwijten elkaar koppigheid. En als we niet aan het verwijten zijn, vullen we elkaars zinnen aan.

We schrijven maandagnacht 4 augustus. We zijn moe, het afscheid is al te lang uitgesteld. We beseffen dat we elkaar een tijdje niet zullen zien. Hij blijft het afscheid rekken, het wordt een beetje pijnlijk.

“Het zijn maar twee weken, 15 dagen”, zeg ik hem. Ik behoud mijn koelte, afscheid nemen is niet aan mij besteed. Ik kijk naar hem en zie hoe hij tranen in zijn ogen heeft.

“Zijt gij mij geworden, ofzo, zo rationeel?”, vraagt hij mij. En of hij een zakdoekje mag hebben. Hij kan mij niet achterlaten, hij heeft het moeilijk. Heel moeilijk. Hij is emotioneel en ik ben rationeel. Ik besef dat dit wellicht één van de mooiste momenten is. Pijn om het nakende afscheid en tegelijk het besef dat die pijn wederzijds is. Het besef dat hij voor het eerst een traantje wegpinkt bij de werkelijkheid van het mij moeten missen en niet bij mijn 94738e mood swing. Het bésef.

28 juli 2008

Neuroten unite.

Aan stokjes doe ik niet mee en zeker niet als het populariteitsstokjes zijn, maar bij deze wil ik toch een staartje breien aan een stokje dat ik van Coudie heb gekregen.

De man himself beschrijft mij als ietwat neurotisch, een vloek die ik over mezelf heb uitgeroepen. Ja, it is I die zichzelf voortdurend bestempelt als neurotisch. En daardoor is het ook I die ervoor zorgt dat andere mensen het geloven. Maar bent u niet even neurotisch als ik, I ponder.

Mijn kleine trekjes zijn waarschijnlijk niet te vatten in één lijst, maar dat houdt mij niet tegen om dat alsnog te proberen. Want zo ben ik wel, het onmogelijke toch proberen.

  • Alle uitgedane schoenen moeten naast elkaar staan en in dezelfde richting wijzen. Of het hier gaat om 1 paar of om 947393 paar, maakt niet uit. Een mogelijke andere optie is om zo’n grote chaos te maken dat alle schoenen in een andere richting staan en er dus helemaal geen patroon meer in te vinden is. Dus ofwel moet ik al mijn schoenen mooi naast elkaar zetten, ofwel moet ik ze allemaal lukraak uitschoppen zonder daarbij een mogelijk patroon te maken. Yes, it is I, the crazy one.
  • Als iemand mij een beker/glas geeft met drank, moét die drank op. Zo snel mogelijk, maar wel zonder dat het walgelijk wordt. Ik doe al jarenlang verschrikkelijk veel moeite om zo traag mogelijk van glazen te drinken, maar het blijft een probleemgebied. Het is zelfs zo erg dat ik soms secondenlang naar het glas staar, mezelf de hele tijd inspreek dat ik er nog niet van mag drinken, om het vervolgens helemaal leeg te drinken. Het is duidelijk dat de uitspraak ‘het glas is halfleeg’ eerder een optimisme is dan een pessimisme. Het is ook duidelijk dat ik zelden tot geen alcohol drink en dat dit dus nog niet geleid heeft tot comateuze toestanden.
  • Onderleggers – u weet wel, die dingen die je krijgt in restaurants – moeten steeds tot een perfect vierkant gevouwen worden.
  • Mes en vork moeten perfect naast elkaar liggen, loodrecht.
  • Bankbiljetten moeten steeds in 6 gevouwen worden.
  • Als ik een dessert eet, moet het oppervlak altijd recht/horizontaal zijn. Voor mij dus geen kuilen in mijn chocolade mousse.
  • Ik ben een wreed moeilijk mens als het op eten aankomt. Eens ik in mijn hoofd heb wàt ik wil eten, wil ik alléén dàt eten. Op die dag. Op dat moment. Waar ik het wil. Mét wie ik het wil. En daar mag niet van afgeweken worden, whatsoever. In tegenstelling tot alle vorige neuroses wordt over deze wel degelijk gekibbeld. En vaak.
  • Het volume van de televisie en radio moet op 0, 1, 5, 10, 15, 20,… staan. Afwijkingen worden niet geapprecieerd. Mijn Lief is me erop aan het trainen.
  • In de badkamer moet ik steeds hetzelfde ritueel ondergaan.
    1. Shampoo
    2. Conditioner
    3. Tijdens conditioner: (1) scheren, (2) lactacyd, (3) zeep
    4. Oorstokje
    5. Haarverzorging
    Een andere volgorde doet me wenen.
  • Ik kan het niét hebben als mensen mijn naam of andere namen zonder hoofdletter schrijven.
  • Als ik Malthesers eet moet ik afwisselen tussen (1) gewoon in mijn mond steken en eten (2) laten smelten.
  • Ik eet mijn appels volgens een zekere methode op en ben niet bereid daarvan af te wijken. Het is zo moeilijk te verwoorden en er hangen zoveel condities aan vast dat u mij maar eens een appel moet zién eten om het te begrijpen. The weird thing is dat het nog nooit iemand is opgevallen dat ik mijn appels steeds zo eet, er soms verdacht lang naar staar (om te kijken of ik geen fouten maak) en er letterlijk een half uur over doe vooraleer het onding op is.
  • Mijn Lief moet mij altijd smsen als hij ergens is aangekomen met zijn auto. Auto-ongelukken zijn een frequent goed.
  • En mijn allergrootste neurose: Ik moét iets vasthebben om te slapen. Ik slaap altijd met een klein kussen onder mijn linkerarm. Als er geen kussens zijn, probeer ik zowat alles anders in mijn omgeving dat niet te hard is. Het deken zelf, een donsdeken, kleren, handdoeken,…

En verder kan ik me ook vinden in dit, dat en dit. En u, wat doet u?