‘Oh God, dit is wéér zo een dag’, wou ik roepen nadat ik net een baksteen doorheen het raam van een niet nader genoemd interim-kantoor wou gooien. In plaats van deftig te zoeken achter zo’n steen, besloot ik maar af te druipen en mijn wraakacties op een veel intellectueler niveau te parkeren. Ja, plots zag ik een toekomst voor mij waarin ik een eigen interim uit de grond stampte die zoveel beter was dan kantoor X. Ik zag mijn interimkantoor het andere volledig opslorpen. Mind you, we hebben het hier over één van de grootste kantoren in België. Ambitie, ik heb het!

Dus daar stond ik dan, met een brood in mijn armen op de Bondgenotenlaan. De studentenadministratie gesloten en het interimkantoor ook gesloten. Zoiets kan zéér zwaar tegensteken op een mindere dag in de vrouwelijke cyclus, I can assure you. Mijn kot nabij de ring van Leuven, geen fiets. Het waren ik en mijn voeten. En dus deed ik wat ik altijd doe wanneer ik kwaad ben: lopen. Aangezien ik daar ook vaak te lui voor ben, hield ik het op een gedreven snelwandelen. Mind you dat dit zich allemaal afspeelt op de Bondgenotenlaan en dat het niet evident is om daar te snelwandelen tussen al de raamklevers.

Ik wandel. Snel. Ik neem de etalages in mij op zoals het hoort: als een sneltrein. En toen plots was het daar. Ik was de etalage al voorbij gesneld, omdat ik nu eenmaal aan het snelwandelen was. Ik besloot op mijn stappen terug te keren en zelf een raamklever te worden. Het waren ik en mijn voeten. Ik, mijn voeten en een prachtig paar botten om deze in te proppen. Ik keek naar het prijskaartje en wou voor de tweede keer die dag een baksteen door een etalage smijten. Oneerlijke wereld, it was.

Ik wou al die mensen wel eens weg uit mijn Leuven. Gisteren hoorde Leuven een verlaten boerengat te zijn. Maar dat was het niet. Dus besloot ik een alternatieve route te nemen naar mijn kot. Een rustigere route. Het zou mij kalmeren en mijn hormonen zouden één kunnen worden met de natuur. All fun and games, ware het niet dat ik mezelf 10 minuten later bevond op de Kapucijnenvoer en geen flauw idee had hoe ik terug naar mijn kot moest. Leuven, ik ben er al drie jaar, maar afwijken van het pad is nog steeds niet aan mij besteed. Dus wou ik maar een baksteen op de Kapucijnenvoer smijten.

Oh ja, gisteren was weer zo een dag. Met een scheefgezakt brood kwam ik aan op kot. Vier uur later, daarentegen, kwam ik met een paar retedure schoenen aan op kot. Volgende keer opteer ik toch maar voor de baksteen-piste.

‘Dit is zo een dag’, bedacht ik me vanmorgen toen ik met mijn linkerhand een handvat vast had en in mijn rechterhand een tree geklemd had. Ja, dit was duidelijk zo’n dag. Tijdens het wandelen naar wat het enige lichtpunt van de dag kon zijn, was ik van de trap gevallen. En daar lag ik dan. Proberend om mezelf in evenwicht te houden zodat ik niet helemààl van de trap zou donderen.

Het begon allemaal om middernacht, wat technisch gezien het begin van de dag is. Om middernacht wou ik gaan slapen, want op sommige dagen ben ik nu eenmaal een kneusje. Er bleken andere mensen te zijn die niét om middernacht wouden gaan slapen. Zoals mijn overbuur, bijvoorbeeld. Mijn overbuur is volgens mij allergisch aan een aantal zaken. Ik zal u in de volgende lijst met puntjes mijn overbuur schetsen zoals ik hem schets voor mezelf:

  1. Hij is nooit alleen. In de twee weken dat ik hier zit, heb ik hem nog NOOIT alleen gezien. NOOIT. Zelfs niet op de trap. NOOIT. Altijd is er iemand bij. Of om correcter te zijn: meerdere personen. Which is very confusing, want ik heb dus geen flauw idee wie van hen nu de eigenlijke kotgenoot is.
  2. Hij speelt gitaar. Na middernacht. Wanneer ik ziek in mijn bed wil liggen. Of wanneer ik het kneusje wil uithangen.
  3. Hij zingt. Op datzelfde tijdstip.
  4. Zijn vrienden zingen ook. Op dat tijdstip.
  5. Hij doet een beetje druuuuuuuugs. Wat mij geen r**t kan schelen, ware het niet dat de geur mijn kamer op sommige momenten infiltreert.
  6. Op de momenten dat ik hem vriendelijk wil aanspreken over bovenstaande feiten, komen er vanuit allerlei gaten en hoeken plots vrienden van hem opduiken. Een beetje beschreven zoals in punt A.

You get the point. Al dagenlang houdt hij hier kotfeestjes and frankly, my dear, I couldn’t care less. Ware het niet dat dit zo’n dag is. Want van de vier avonden dat ik hier écht rustig wou slapen, was dit al de vierde avond dat hij mij dat verhinderde. De avonden dat ik gewoon tot een kot in de nacht weg was duidelijk niet inbegrepen, dus. En zo begon mijn dag.

En toen werd ik wakker. Ik wou niet wakker worden, laten we daar eerlijk in zijn. En ik wou al zeker niet tegen de vlijmscherpe hoek van het bed lopen. Pijn. Ik wou slapen. Of nee: Ik wou kunnen slapen wanneer ik dat wou. Ik zou gaan douchen. Douchen, het enige lichtpunt in mijn dag. Ik vond mijn sloefkes niet. Ik werd hysterisch. Het Lief vond de sloefkes voor mij. Ik deed ze aan en begaf me richting douche.

Daar lag ik dan, met in mijn linkerhand een handvat en in mijn rechterhand een tree. Mijn been lag in een onnatuurlijke positie dus ik stelde me recht. Ik deed alsof er niets aan de hand was en ging naar de douche. Maar ik maakte een plechtige belofte. Vandaag zou ik hem aanspreken, want als ik niet slaap word ik een gevaar voor de samenleving. En dus spitste ik mijn oren toen ik vandaag een jongen achter me hoorde binnenkomen. Dit was mijn kans!

Ik keek, wachtte enkele seconden, stapte zo traag dat ik me een oud vrouwtje voelde en… merkte dat hij weer niet alleen was. Seriously, dude, hebt gij verlatingsangst ofzow?

Ik denk dat ik maar eens naar Spanje ga.

Oh ja, als het vliegtuig van Brussels Airlines dat maandagmorgen vertrekt om 06h30 crasht, steekt dan maar allemaal een kaarsken aan voor mij.

Studiekeuzes. Het is iets waar ik 3 jaar geleden niet van wakker lag. Toen had ik nochtans alle reden om ervan wakker te liggen, maar ik dacht daar toen anders over.

“Ik word journalist”, vertelde ik aan geïnteresseerden. “Voor een enorm prestigieuze krant of een bekend tijdschrift en tientallen jongeren gaan naar me opkijken, omdat ik zo’n interessante artikels zou schrijven dat ze er in no time stijve tepels van krijgen’.

Ik had ambitie, als kind. En mijn omgeving juichte me toe.

“Gij moet schrijven, gij kunt dat goed.”, zeiden ze me. “Gij hebt tàlent”, klonk het.

Ik had geloof, als kind. Ik geloofde de mensen die me fluisterden dat ik talent had. Ik zou iets betekenen in de wereld. Ik stelde alles af op mijn schrijven, omdat het het eerste compliment was dat ik had gekregen. Het was het eerste waarvan iemand me ooit zei dat ik er goed in was.

Studiekeuzes. Drie jaar later lig ik ’s nachts steeds vaker wakker. Of ik wel de goede keuze heb gemaakt. Ik heb het gevoel dat ik wég wil waar ik nu ben. Qua academisch succes heb ik er nochtans geen reden voor. Ik weet niet hoe herexamens voelen en ben er vrij zeker van dat ik mijn Master Communicatiewetenschappen makkelijk in vier jaar kan afleggen. Nee, dat is niet de reden van mijn kopzorgen.

’s Nachts lig ik wakker. Ik denk aan wat ik niét heb gekozen. Ik kijk terug naar het verleden en zie dat ik mezelf een beetje voorgelogen heb. Ik zie dat ik mijn eigen leugen geloofde. Maar een oude wijsheid vertelt me stilletjes in mijn oor dat hoe snel de leugen ook is, de waarheid haar wel inhaalt. En dat moment is aangebroken, vrees ik.

“Ik wil geen journalist worden”, vertel ik aan geïnteresseerden. “Het is oneerlijk een 17-jarig kind zo’n beslissing te laten nemen. Ik wist niet wat ik deed. Schrijven is niet mijn talent.’

“Ge hebt fout gekozen”, zeggen ze me. “Maar wij ook.”

Of: Hoe mensen volwassen worden en de wereld rondom hen ook. Of: Hoe ik stilaan begin te beseffen wat ik écht wil en hoe dat for some reason onmogelijk lijkt.

‘Bambi’. Hét antwoord als je aan mensen vraagt welke film de meest droevige is. Daarop volgt dan een hele uiteenzetting over de dood van de moeder en Bambi die daar alleen achter blijft, zo moederloos. Natuurlijk wil het lot dat ik enorm tegendraads ben, zelfs als ik dat niet wil, want Bambi kan mij tot geen tranen bewegen. Nooit. Ik kan mij zelfs niet herinneren dat ik als kind geweend heb bij Bambi. Waarop u kan opperen dat het menselijk geheugen slecht is. Wat natuurlijk de volledige waarheid is, maar ik kan met gemak tientallen films opnoemen waarmee ik als kind wel geweend heb.

En één van die films is Frank en Frey, voor de echte hardcore filmliefhebbers onder ons ook wel The Fox and the Hound genoemd. Frank en Frey is mijn Bambi. Bij Frank en Frey huilde ik elke keer opnieuw. En opnieuw. Zélfs als ik ‘m twee keer achter elkaar keek. Zélfs als ik hem twee keer achter elkaar keek en de tweede keer mijn hoofd bij elke triestige scene onder een deken stak en weigerde het deken van mijn hoofd te tillen. Het leek wel alsof mijn hersenen één of ander automatisme hadden ontwikkeld. En u weet wat ze zeggen van automatismen: die gaan nooit weg.

Indeed so, want zelfs als verbitterde puber kon ik erom wenen. Indeed so, als (bijna) volwassen vrouw moet ik er nog steeds van bleiten. En indeed so, ik heb niet eens de hele film nodig, dit fragment is méér dan genoeg om een traan van mijn wang te voelen rollen. I am thàt easy.

Over een week ben ik te fier om dit toe te geven, dus doe ik het nu maar:

Voor het eerst proef ik hoe bitterzoet smaakt en ik moet zeggen dat ik het niet lust.

Sommige woorden laten je niet los. Sommige woorden achtervolgen je, of je dat nu wilt of niet. Toegegeven zijn het vaker negatieve woorden die me achtervolgen, omdat die nu eenmaal diepere wonden snijden. En dus terwijl ik druk bezig was met weg te lopen van al dat negatieve, bevond ik me plots in Diest. Dat ligt ergens in de buurt van Aarschot, want die treinhalte gaat eraan vooraf.

Daar stond ik dan, in Diest. Het was er verlaten, exact zoals ik me het voorstelde. Ik liep verdwaasd naar de verschillende bushalten en vond diegene waar ik moest zijn. U moet weten dat mijn geografische kennis ophoudt bij de exacte situering van mijn boerengat op de Belgische kaart. Ja, u kan mij een blinde kaart geven en ik kan exact zeggen waar mijn dorpje ligt. Of om eerlijker te zijn: waar dat naburige boerengat ligt waar ik middelbare school gelopen heb. Want in plaats van ons nuttigere dingen te leren, leerden ze ons het spuuglelijke dorp aan te duiden op een blinde kaart. Dus stond ik daar in Diest, met in gedachten een kaart zo blanco als diezelfde blinde kaart. Ik herhaalde voor mezelf welke bus ik moest nemen. Ik was 100% zeker van het nummer, maar zoals dat wel vaker gaat met bussen waren er twee exemplaren van. Er zijn namelijk ook twee rijvakken en twee rijrichtingen. Daar ging mijn oh zo geweldige plan.

Op het moment dat ik het officieel wou opgeven en mezelf de domste kalle van België wou noemen, kwam er meer volk. Eindelijk. En nog meer volk. En daar stond ik dan, in het midden van een mensenzee. Mijn kampeergerief netjes in mijn buurt. De mensenzee had ook op wonderbaarlijke wijze mensen meegenomen die ik kende. En die kennissen hadden dan weer mensen meegenomen die ik niet kende. Ik was al helemaal in mijn nopjes, want ofwel zouden we en masse de juiste bus nemen ofwel zouden we met véél te veel volk de foute bus nemen. En hoewel dat tweede niet leuk is, is het toch leuker dan helemaal alleen een verkeerde bus nemen, niet? Ja, zo dacht ik er ook over.

De tijd tikte weg en bij het onbekende gezelschap van mijn gekend gezelschap was een klein, fijn meisje. Ongeveer een jaar jonger, als ik me niet vergis. Ze was duidelijk een lichtgewichtje en dat werd om één of andere duistere reden het gespreksonderwerp. Nee, ze woog niet veel, nee. Maar ik woog toch ook niet veel, ik woog vast even veel! Of dat wist ze me toch te vertellen. Er zijn verschillende gezichtsuitdrukkingen die ik op dat moment op mijn gezicht kon toveren, maar ik koos ervoor een denkbeeldige wenkbrauw op trekken. Hoeveel ik dan woog, vroeg een jongeman, die onmiddellijk daarna besefte dat zowat alle vrouwen waaraan hij dat eerder gevraagd had hem hadden verwenst naar een bad vol zwavelzuur. En dus praatte ik over dat gewicht van mij en over hoe het er was afgegaan.

En toen, uit het niets, zei dat meisje iets tegen mij. Nog nooit eerder had een volledig onbekende die vijf woorden tegen mij gezegd. En al zeker geen vrouw. En al zeker geen hetero vrouw die duidelijk geen love affair met mij wou beginnen. Ik ging op zoek naar sarcasme in haar stem, maar ik vond het niet.

‘Gij zijt een mooi meiske’, hoorde ik haar zeggen.

‘Dankuwel’, antwoordde ik, waarbij ik wellicht tomatenrood werd en alle eerder opgemerkte schoonheid volledig van mijn gelaat verdween.

Sommige woorden laten je niet los. Sommige woorden achtervolgen je, of je dat nu wilt of niet. En nu heb ik toch al vijf positieve woorden die het kunnen opnemen tegen het ongewenste.

De die-hards onder jullie weten wellicht nog wel dat er een tijd was waarin ik 80 kilogram woog. 80 kg voor een iemand van 1m64. Dat is niet eens een categorie op de Olympische Spelen bij de vrouwen, hoor, I have noticed. Voor de mensen die niet thuis zijn in gewichten en lengten: dat is een BMI van 29.7 en vanaf 30 heeft een mens officieel obesitas. Dat gewicht kan een logische oorzaak geweest zijn voor mijn gebrek aan kunde tijdens de lessen L.O. in mijn jongere jaren en was tevens een logische oorzaak van mijn hele ‘ik heb zoveel reality shows gezien waarin mensen kweeniehoeveel afvallen dat ik dat ook ga doen en veel beter ga doen, want ik moet overal de beste in zijn om gelukkig te zijn’-missie. Want ja, als 17-jarige had ik een missie, hoor.

Dus, hop, ik naar de fitness, want dat was hip. En het werkte. Ik zag de kilo’s verdwijnen en voelde me enorm goed, want ik deed aan sport. Ik deed aan sport. U kan zich voorstellen dat mijn leerkracht L.O. toen wel degelijk steil achteroverviel en ergens een herwonnen respect voor mij begon te krijgen. Ik dàcht dat ik eveneens over een herwonnen respect voor mezelf begon te beschikken, but little did I know dat ik een beetje té geobsedeerd begon te worden. Want zoiets tonen ze niet op televisie, hoor. Elke week op die weegschaal gaan staan. De eerste weken zoveel gewicht verliezen dat je denkt dat je some sort of Zeus bent, om vervolgens uw gewicht te zien stagneren. En stagneren. En stijgen. En stagneren. U kent het wel.

Ik ben een geboren winnaar en stagnatie staat niet in mijn woordenboek, moet u weten. Dus ging ik harder trainen. Ik ging minder eten. Ik kreeg elke keer zwarte vlekken voor mijn ogen, maar hield dat compleet voor mezelf en zette mijn dieet van tomatensoep, vijf beschuiten, drie cracotten en fruit verder. Maar het bleef stagneren en ik werd het beu. Want zelfs de beste geboren winnaar kan niet op tegen de wetten van de natuur die ze op dat moment aan haar lichaam toeschreef. Ik besloot dat 65 kg het minste was wat ik kon wegen of anders zou ik wellicht imploderen. Een mens moet zich met sommige gedachten kunnen troosten, I guess, en ik dichtte mezelf maar graag de eigenschappen van een supernova toe.

En toen gaf ik mijn absoluut rigide en streng dieet de brui. Ik had er meer dan genoeg van. Ik wou voor het eerst in een jaar ook wel eens weten hoe chocolade alweer smaakte. Weg gingen mijn principes. En samen met mijn principes gingen ook mijn kilo’s weg. Ja, u leest het goed. En zo komt het dat ik al ongeveer een jaar 59 kg weeg. Er staat een vijf voor mijn gewicht en ik ben er zo fier op dat ik mezelf as we speak zou kunnen volproppen met chocolade, ware het niet dat er geen in huis is. Al een jaar, beste mensen, ben ik op gewicht. I guess dat ’stagnatie’ ondertussen alsnog toegevoegd is aan dat woordenboek van mij. Dit is werkelijk beter dan ik in mijn hele leven gepresteerd heb. Kan ik overigens ook even vermelden dat de laatste keer dat ik 59 woog, ik 11 jaar jong was. Graag een applaus, ofzo.

De Olympische Spelen. Ik kan geen gazet openslaan, geen televisie opzetten, geen radio beluisteren of ze zijn er. Maar dat zijn niet de enige dingen die ik niet kan doen. Zo zijn ze ook omnipresent op hét internet en als ik nu plots Euromillions win, dan zou ik ook niet naar China kunnen reizen zonder er constant op het hart gedrukt te worden dat er duizenden mensen beter zijn in iets dan ik. Want dat is de harde realiteit, maar enkel tijdens de Olympische Spelen ben ik me hiervan pijnlijk bewust. Zeer pijnlijk.

Als ik naar de Olympische wielerwedstrijd kijk, krijg ik al zweetuitbarstingen van de gedachte alleen al dat die renners aan het rijden zijn. Vanaf het moment dat ik me mezelf inbeeld dat ik 250 km moet rijden, krijg ik zware hartkloppingen en voel ik me genoodzaakt de post te veranderen naar het lichtzinnigere Vitaya. Waar ik dan alweer uren commentaar kan spuien op heruitzendingen van heruitzendingen van interieurprogramma’s. Om daarna alweer doodgeslagen te worden door de Spelen.

En dan bedenk ik me dat ik eigenlijk al die dingen ook wel kan.

*Lezerspubliek valt en masse van hun stoel bij deze laatste zin.*

Ja, u leest het goed. Ik kan al die dingen eigenlijk ook wel. Ik kan fietsen. Ik kan tegen een bal schoppen. Ik kan zwemmen. Als ik zou moeten roeien, zou ik het wellicht ook wel kunnen. Ik kan mezelf perfect over de schouder laten zwieren door een judoka. Ik kan àlles. Natuurlijk wel significant slechter dan die sporters, maar het is niet fysiek onmogelijk voor mezelf om dezelfde wegrit in ongeveer 5 dagen, 18 uur en 8 minuten af te leggen. Maar er is één ding, één ding dat ik niet kan. Ik kijk er met open mond naar, staar af en toe en probeer de nare herinneringen uit mijn hoofd te bannen.

Ondertussen is het al zowat twee jaar geleden dat ik nog een les L.O. moest uitvoeren, maar ze branden nog altijd in mijn herinnering. De hel, alsof de hele middelbare school nog niet hellig genoeg was. Want L.O., dat was mijn buisvak. Hard. Ik kon er allemaal niets van, ik kon met moeite een les overleven. En als er één trimester was waarvan ik het meeste schrik had dan was het wel van dat waarin gymnastiek werd gegeven. Want schoppen tegen een bal kon ik wel goed genoeg om een vijf te krijgen. Lopen kon ik wel goed genoeg om een 4 te krijgen. Maar gymnastiek kon ik zo slecht dat ik er hevige nachtmerries van had. Zeer hevig.

De basis was dat je je eigen gewicht moest kunnen dragen. Iedere normale mens kon dat, volgens mijn leerkracht. Dus moesten we ons optrekken aan één of andere stok. ‘Yeah right, dat elke mens dat kan’, dacht ik en zag tot mijn afgrijnzen dat zelfs de meest sukkelige zwakkelingen zich naar boven konden trekken. En ik wist exact wat er ging gebeuren als ik dat zou proberen. En exact dàt gebeurde ook toen ik het probeerde.

Niéts.

Ja, u hoort het. Er gebeurde niéts. Behalve dan dat een frustratiegolf mijn toenmalige leerkracht raakte en dat ze maar bleef proberen mij boven te krijgen. Which did not work, natuurlijk. Dus gebeurde er nog meer niets.

En nu, twee jaar later, staar ik nog altijd naar al die gymnasten. Die salto’s kunnen maken, en rondjes draaien en vallen, maar toch na enkele seconden rechtstaan. Ze doen alles waarvan ik wéét dat ik het niet kan. Zelfs niet als ik er 5 dagen, 18 uur en 8 minuten de tijd voor krijg.

[Ondertussen mag u nog steeds uw meest waanzinnige Spanje-belevenissen posten bij mijn sublieme smeekbede.]

You may or you may not know it, maar over een maand zit ik met mijn kont in Spanje. Mijn Lief zijn kont, daarentegen, is een veel gelukkigere kont, want zijn kont bevindt zich nu in Alaska en later bevindt zijn kont zich naast mijn kont in Nederland en Spanje. En u maar denken dat het woord “kont” nooit zeven keer gebruikt kon worden in drie zinnen, boy, were you wrong.

Maar bon. Ik ga dus over een maand naar Spanje. Nothing special, zal u denken en dat is het ook niet. Ware het niet dat Het Lief een beetje een neurotisch trekje heeft over planningen maken. Ja, terwijl ik allemaal schoenen sta te ordenen en tantrums gooi over eten, zit Het Lief te flippen over zijn planningen. Dàt is hoe onze relatie gaat, beste mensen. Aber, eerlijkheid dient me te zeggen dat zijn planningen op geen zak trekken. Maar echt op geen zak. Wegens tijdgebrek, he says. En ik heb momenteel een beetje een tijdoverschot, I says. Dus stelde ik voor om zelf een planning op te stellen.

Op het moment dat ik dat voorstelde, kreeg Het Lief al halve paniekaanvallen. Over hoe ik àlles moest opzoeken en overal de pagina’s bij vermelden en dit en dat en blabla. Yes, I stopped listening, want ik was al helemaal overtuigd dat mijn planning de beste planning allertijden zou zijn. Maar Het Lief bleef me angstvallig aankijken. Zeer angstvallig. Hij zei eindelijk waarvoor hij het meeste schrik had: ‘De dagen niet overboeken he, niet te veel op één dag’. Want terwijl Het Lief het best wel ziet zitten om in de namiddag rustpauzes in te lassen, ben ik eerder diegene die blijft gaan en gaan en gaan en gaan. Tot ik aan de andere kant van Spanje ben, weetwel. Ik zei hem dat ik de planning nog strakker zou maken dan de planning van Italië en zag dat hij een zenuwinzinking nabij was.

Aber twee dagen later kan ik met zeer veel trots zeggen dat mijn planning af is. Yes, I really did work two days on the biatch, want als ik mezelf moet bewijzen dan doe ik dat goed. Té goed. Maar als ik naar de planning kijk dan ontbreekt er iets. Human feel. En that’s why I need you. En met ‘you’ bedoel ik ‘jullie’. Al mijn lezers. Alle tien!

Geef mij tips over Barcelona, Valencia en Madrid of dorpjes in de dichte nabijheid van deze steden. Zeg mij waar u uw lekkerste fruitsap gedronken hebt, waar u het langst hebt moeten aanschuiven, waarvan u het steilst achterover viel en waarvan u het meest teleurgesteld was. Vertel mij uw geheime plekjes, uw verhalen. Alles. En zorg ervoor dat uw comment langer is dan deze blogpost. Geef mij uw tips die mijn reis en mijn planning zo zullen veranderen dat ik stande pede een standbeeld voor u zal oprichten.

[Als u liever niet comment, omdat u uw geheime plekje enkel aan mij wil mededelen dan kunt u ook mailen op eikebah[at]gmail.com]

You may or you may not know it, maar Het Lief zit momenteel met zijn kont ergens in het verre Alaska. Iets in mij hoopt dat diezelfde kont er op zijn minst een klein béétje afvriest, maar zoiets mag – naar het schijnt – niet gezegd worden. Want ik gun het hem wel hoor, zijn weekjes Alaska, maar toch… Maar toch.

Omdat Het Lief in een andere tijdszone zit en PMS weldra aan mijn deur zal staan kloppen, is het ook het perfecte moment voor een melige post. Mensen die gevoelig zijn voor zulke posts, kijken nu best ook even weg en kunnen misschien iets leren over Alaska.

Bon, Mission Meligheid. Het Lief en ik zijn een beetje tegenpolen, op momenten. Meestal op momenten waarop hij zegt dat tegenpolen elkaar aantrekken en ik daarop antwoord met “een relatie is geen pure fysica”. Ik heb nooit gezegd dat ik een gemakkelijke ben, he. Het Lief en ik, wij zijn niet van hetzelfde hout gemaakt. Bij ons is 1 + 1 nog altijd 2. Als we ruzie hebben, wordt er bij mij één of andere emotionele vloedgolf veroorzaakt die ervoor zorgt dat ik dingen uitkraam zoals “misschien zijn we niet voor elkaar gemaakt”. Als we ruzie hebben, wordt er bij Het Lief één of andere rationele vloedgolf veroorzaakt die ervoor zorgt dat hij dingen uitkraamt zoals “slaap er nog eens een nachtje over”. U kunt zien dat dat voor de emo in mezelf géén correct antwoord is op éénder welk probleem waarmee ik op dat moment kamp. Zelfs niet als het probleem iets te maken heeft met moe zijn. Hij verwijt mij mood swings, ik verwijt hem gevoelloosheid. Wij verwijten elkaar koppigheid. En als we niet aan het verwijten zijn, vullen we elkaars zinnen aan.

We schrijven maandagnacht 4 augustus. We zijn moe, het afscheid is al te lang uitgesteld. We beseffen dat we elkaar een tijdje niet zullen zien. Hij blijft het afscheid rekken, het wordt een beetje pijnlijk.

“Het zijn maar twee weken, 15 dagen”, zeg ik hem. Ik behoud mijn koelte, afscheid nemen is niet aan mij besteed. Ik kijk naar hem en zie hoe hij tranen in zijn ogen heeft.

“Zijt gij mij geworden, ofzo, zo rationeel?”, vraagt hij mij. En of hij een zakdoekje mag hebben. Hij kan mij niet achterlaten, hij heeft het moeilijk. Heel moeilijk. Hij is emotioneel en ik ben rationeel. Ik besef dat dit wellicht één van de mooiste momenten is. Pijn om het nakende afscheid en tegelijk het besef dat die pijn wederzijds is. Het besef dat hij voor het eerst een traantje wegpinkt bij de werkelijkheid van het mij moeten missen en niet bij mijn 94738e mood swing. Het bésef.

Aan stokjes doe ik niet mee en zeker niet als het populariteitsstokjes zijn, maar bij deze wil ik toch een staartje breien aan een stokje dat ik van Coudie heb gekregen.

De man himself beschrijft mij als ietwat neurotisch, een vloek die ik over mezelf heb uitgeroepen. Ja, it is I die zichzelf voortdurend bestempelt als neurotisch. En daardoor is het ook I die ervoor zorgt dat andere mensen het geloven. Maar bent u niet even neurotisch als ik, I ponder.

Mijn kleine trekjes zijn waarschijnlijk niet te vatten in één lijst, maar dat houdt mij niet tegen om dat alsnog te proberen. Want zo ben ik wel, het onmogelijke toch proberen.

  • Alle uitgedane schoenen moeten naast elkaar staan en in dezelfde richting wijzen. Of het hier gaat om 1 paar of om 947393 paar, maakt niet uit. Een mogelijke andere optie is om zo’n grote chaos te maken dat alle schoenen in een andere richting staan en er dus helemaal geen patroon meer in te vinden is. Dus ofwel moet ik al mijn schoenen mooi naast elkaar zetten, ofwel moet ik ze allemaal lukraak uitschoppen zonder daarbij een mogelijk patroon te maken. Yes, it is I, the crazy one.
  • Als iemand mij een beker/glas geeft met drank, moét die drank op. Zo snel mogelijk, maar wel zonder dat het walgelijk wordt. Ik doe al jarenlang verschrikkelijk veel moeite om zo traag mogelijk van glazen te drinken, maar het blijft een probleemgebied. Het is zelfs zo erg dat ik soms secondenlang naar het glas staar, mezelf de hele tijd inspreek dat ik er nog niet van mag drinken, om het vervolgens helemaal leeg te drinken. Het is duidelijk dat de uitspraak ‘het glas is halfleeg’ eerder een optimisme is dan een pessimisme. Het is ook duidelijk dat ik zelden tot geen alcohol drink en dat dit dus nog niet geleid heeft tot comateuze toestanden.
  • Onderleggers – u weet wel, die dingen die je krijgt in restaurants – moeten steeds tot een perfect vierkant gevouwen worden.
  • Mes en vork moeten perfect naast elkaar liggen, loodrecht.
  • Bankbiljetten moeten steeds in 6 gevouwen worden.
  • Als ik een dessert eet, moet het oppervlak altijd recht/horizontaal zijn. Voor mij dus geen kuilen in mijn chocolade mousse.
  • Ik ben een wreed moeilijk mens als het op eten aankomt. Eens ik in mijn hoofd heb wàt ik wil eten, wil ik alléén dàt eten. Op die dag. Op dat moment. Waar ik het wil. Mét wie ik het wil. En daar mag niet van afgeweken worden, whatsoever. In tegenstelling tot alle vorige neuroses wordt over deze wel degelijk gekibbeld. En vaak.
  • Het volume van de televisie en radio moet op 0, 1, 5, 10, 15, 20,… staan. Afwijkingen worden niet geapprecieerd. Mijn Lief is me erop aan het trainen.
  • In de badkamer moet ik steeds hetzelfde ritueel ondergaan.
    1. Shampoo
    2. Conditioner
    3. Tijdens conditioner: (1) scheren, (2) lactacyd, (3) zeep
    4. Oorstokje
    5. Haarverzorging
    Een andere volgorde doet me wenen.
  • Ik kan het niét hebben als mensen mijn naam of andere namen zonder hoofdletter schrijven.
  • Als ik Malthesers eet moet ik afwisselen tussen (1) gewoon in mijn mond steken en eten (2) laten smelten.
  • Ik eet mijn appels volgens een zekere methode op en ben niet bereid daarvan af te wijken. Het is zo moeilijk te verwoorden en er hangen zoveel condities aan vast dat u mij maar eens een appel moet zién eten om het te begrijpen. The weird thing is dat het nog nooit iemand is opgevallen dat ik mijn appels steeds zo eet, er soms verdacht lang naar staar (om te kijken of ik geen fouten maak) en er letterlijk een half uur over doe vooraleer het onding op is.
  • Mijn Lief moet mij altijd smsen als hij ergens is aangekomen met zijn auto. Auto-ongelukken zijn een frequent goed.
  • En mijn allergrootste neurose: Ik moét iets vasthebben om te slapen. Ik slaap altijd met een klein kussen onder mijn linkerarm. Als er geen kussens zijn, probeer ik zowat alles anders in mijn omgeving dat niet te hard is. Het deken zelf, een donsdeken, kleren, handdoeken,…

En verder kan ik me ook vinden in dit, dat en dit. En u, wat doet u?

Het is in het leven beter iemand te zijn van weinig woorden, aangezien er al genoeg mensen rondlopen met een te groot bakkes.

Ik mis eigenlijk een beetje de tijd waarin mijn blog nog tot dingen leidde. Weetuwel, dat verre verleden op Skynetblogs toen ik nog some crazy shit deed zoals mensen naar mij laten sms’en of schrijven of ik nog gekker was om mijn kop te tonen op blogmeetings. Of gewoon ergens afsprak met een individu om simpele dingetjes te gaan doen.

Dàt mis ik. Nieuwe dingen, nieuwe mensen. Het gevoel dat ik niet voor niets over strakke wielertenues schrijf.

Omdat ik zelf een hartsgrondige hekel heb aan fietsen, zoals eerder vermeld, vind ik fietsers een angstaanjagend en onheilspellend fenomeen. Dat geeft me voldoende reden om hen te begluren en hun every single move waar te nemen; een activiteit waarmee ik me daarnet in de auto minutenlang kon bezig houden.

En toen! De vertwijfeling sloeg toe. Uit mijn pas begonnen onderzoek* bleek immers dat er verschillende soorten fietsers zijn. De plezierfietser, de minderjarige fietser die autoloos door het leven moet, de groene fietser en de werkende fietser. De werkende fietser is, rara, een persoon die met zijn fiets naar het werk trekt. Niet veel bijzonders, denkt u, maar mijn onderzoek* toonde aan dat er twéé soorten van deze werkende fietsers bestaan.

a) De werkende fietser die vermoedelijk niet al te ver van zijn/haar werk woont en rustig in gewone klederdracht, mààr met tas, fietst.

b) De werkende fietser die vermoedelijk verder van zijn/haar werk woont en in een fietspak, mét koersfiets, fietst.

Deze laatste categorie fascineert mij mateloos. Want:

a) Ik zou nog in geen 100 jaar in zo’n fietspak kruipen, met in mijn achterhoofd onthullende vetkwabbels, vieze geurtjes en onhygiënische toestanden. Want daaraan doen zulke pakken mij denken.

b) Doorgaans fietsen ze vrij snel en hebben ze enorme beenspieren en ben ik dus wetenschappelijk verplicht om secondenlang te staren naar wat nooit van mij zal zijn. En dan heb ik het over de spieren, niet over de fietser him or herself.

Door mijn oneindige fascinatie kwamen plots enkele vragen in mij op, die sindsdien onbeantwoord door mijn hoofd spoken. En daarom moet u, mijn lezer, deze vragen beantwoorden. En eigenlijk is het maar één vraag, dus u heeft geluk!

Waarom doen werkende fietsers categorie B zo’n koerspakje aan?

a) Het bevordert hun aérodynamica.

b) Ze vinden het fancy.

c) Ze willen opvallen tussen het ordinaire fietsvolk, door hen ook wel het plebs genoemd.

d) Ze doen dit om zo hun gewone kleren na de rit nog te kunnen dragen en dus proper te houden. Zo moeten ze niet zweten in de kleren die ze de rest van de dag nog moeten dragen.

Als antwoord D het correcte antwoord is, heb ik nog een aantal belangrijke bijkomende vragen. Dus gesteld dat ze dat strak pak aandoen omwille van hygiënische redenen:

a) Dan wassen ze elke avond hun fietspak, want ze hebben er die dag minstens één maal (normaliter twee maal) in gereden en het is dus vuil en bezweet.

b) Dan hangen ze elke avond hun fietspak open, zodat het verlucht, want elke avond zo’n elastieken pak wassen, is niet goed voor de elasticiteit ervan. Doch wassen ze het pak om de X aantal dagen. Waarvan X < 5.

c) Dan hangen ze elke avond hun fietspak open, zodat het verlucht, want elke avond zo’n elastieken pak wassen, is niet goed voor de elasticiteit ervan. Het pak wassen ze nauwelijks.

d) Dan frommelen ze het pak weg, trekken het de komende dagen opnieuw aan en zijn zo dus nog onhygiënischer dan wanneer ze zouden fietsen in hun eigen kleren.

Help mij met deze zenuwslopende vraagstukken uit mijn leven.

* Niet wetenschappelijk

** Naar het schijnt bestaat mijn doelpubliek uit Bridget Jones vrouwen en spreek ik hier allicht niet de correct doelgroep aan, maar de Bridget Jones vrouwen mogen mij steeds komen opbiechten wat hun liefdesobject zou doen met zo’n fietspak.

*** Hoe noemt zo’n fietspak, eigenlijk, feitelijk?

Puffend op mijn fiets vraag ik me af hoeveel geld ik zou bieden voor auto’s die langs de kant geparkeerd staan. Niet veel, aangezien ik nog nooit achter een stuur gezeten heb en het dus een geweldige miskoop zou zijn. Of toch op het moment zelf.

Ik begeef mezelf van mijn thuis naar de apotheek in mijn dorp. Een fietstocht die vijf minuten hoort te duren, maar voor mij toch zeker tien minuten duurt. Ik kan niet fietsen. Fysiek kan ik het natuurlijk wel, want ik ben gezond en beschik over twee benen waarmee ik mezelf vooruit kan trappen. Maar toch kan ik niet fietsen. Ik bedenk mezelf dat een snelloper, of een middelmaatloper, me wellicht zou kunnen inhalen. Ik duw mezelf vooruit en voel hoe ik plots een zeer scherpe hoofdpijn krijg. Te veel wind in mijn rechteroor, godverdomme toch.

Al hijgend ga ik de apotheek binnen. Ik hoop dat ik niets moet zeggen, kwestie van niet over te komen als één of andere zenuwzieke stalker die elk moment uit elkaar dreigt te vallen in kleine stukjes mens. Want zo komen hijgers wel eens over, vind ik, zeker als ze oog in oog staan met de lokale apotheker. Ik doe er zowat twintig seconden over om mijn voorschrift open te plooien, wat eigenlijk wel verdacht lang is. Ik tril een beetje en ben me té bewust van het zweet dat uit mijn poriën komt waardoor ik me inbeeld dat ik liters water verlies. De vrouw haalt me het product, want medicijnen zijn ook producten, en vraagt me of het zo zal gaan. Daarmee bedoelt ze of ik een zakje moet hebben. Ik denk aan mijn onbestaande aerodynamica en hoe die wel enorm verkloot zou worden door zo’n zwepend en zwierend plastic zakje aan mijn stuur en zeg dat het niet hoeft.

Ik wandel naar buiten en zie daar mijn fiets opnieuw staan. Soms denk ik dat hij naar mij grijnst en mij stiekem uitlacht als hij andere fietsen tegenkomt. Zo van “Mijn baasje gaat liever een half uur te voet dan vijf minuten op mijn onbeschrijfbaar pijnlijk zadel te gaan zitten”. Want zo is dat. Ik zet me op de fiets, probeer ervoor te zorgen dat mijn rok op z’n minst een beetje blijft zitten waar hij hoort en dat oude mannen tevergeefs naar mijn onderbroek proberen te staren. Of ik daarin slaag, weet ik niet, want ik kan mezelf natuurlijk niet frontaal bekijken als ik fiets. Ik vraag mezelf tevens af hoe iemand er ooit op komt om wielrenner te worden. Of ooit denkt ‘ik ga voor de leute de Ronde van Frankrijk rijden… Als hobby. Zonder ervoor betaald te worden.’.

I truly wonder, hoor. En ik vraag me ook af waarom ik niet te voet gegaan ben, in the first place, als ik toch liever een half uur te voet ga dan vijf minuten te fietsen. Ik ben nog steeds een mysterie voor mezelf, zoveel is duidelijk.

Ik ben al heel mijn leven een vrouw. Zelfs toen ik nog maar een klein meisje was, was ik diep vanbinnen al een vrouw. En niet zomaar een vrouw, neen. Een vrouw die wist wat ze wou. Tot in de puntjes had ik mijn hele leven al gepland, inclusief de down falls. Dat ik op mijn zestiende diep ongelukkig zou zijn, voorspelde ik toen ik amper tien was. Dat aan de unief alles beter zou gaan dan ooit tevoren, voorspelde ik op mijn zestiende om toch een lichtpuntje te hebben. En dat ik alles wist wat ik wou, voorspelde ik toen ik begon aan mijn zeventiende levensjaar.

Little did I know dat ik in dat zeventiende levensjaar een identiteitswijziging zou meemaken waar menig transseksueel “U” tegen zou zeggen. Plots had ik genoeg van al die zekerheden die ik voor mezelf had geschapen. Ik moest de dag maar eens plukken, carpe diem, go with the flow of in het Genks ook wel “chillen” genoemd. Die onzekerheid beviel me wel. Elke dag een nieuw leven.

Nu komt het moment dat ik weldra twintig zal zijn. De leeftijd waar ik als klein meisje, doch al vrouw, naar uitkeek. Want twintigers, die hadden het voor elkaar. Diploma’s, jobs, huizen, auto’s, geld, wilde doch concrete plannen. Toekomstvisie. Hetgeen ik als klein meisje al had, hadden die twintigers ook… Alleen werden zij betaald om wijsheden uit te kramen. Mensen kijken me nu aan, de vrouw die altijd weet wat ze wil, en ze stellen mij vragen. Over mijn toekomst. Over wat ik ga doen, als twintiger. Ze kijken me aan en ik staar terug naar de leegte in de verte. Ik weet het niet, ik ben mijn dromen kwijt. Ze willen me helpen met clichés die ik steeds zelf in de mond nam. Clichés die nooit naar waarde geschat worden, maar zoveel wijsheid bevatten dat ze moeilijk na te leven worden. De toekomst staat aan mijn deur zeggen ze, ik moet ze alleen maar invullen.

Maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Kiezen wordt een synoniem voor verliezen en ik ben een geboren winnaar… Ja, de toekomst staat aan mijn deur, maar ik ben angstig, trek de gordijnen dicht en doe alsof ik niet thuis ben.

Festivals… Wanneer een 8463e dronken, oude en allerminst knappe man met een wel zeer vreemde blik naar mij kijkt, vraag ik me af of ze wel aan mij besteed zijn. Ondertussen betast ik mijn haar om te checken of ik het nog heb, voel ik aan mijn verbrandde neus om na te gaan of er geen blaasjes zijn opgekomen en als allerlaatste kijk ik na of er nergens een Dixi op mij ontploft is. Je kan immers nooit zeker weten waarom mensen je raar aanstaren, het kàn een andere reden zijn dan pure dronkenschap. Tenzij die mensen langs de kant van de weg naar huis kruipen aan het tempo dat zelfs een slak beschamend zou vinden. Dàn kan je vrij zeker zijn dat het wél pure dronkenschap is.

Maar bon, festivals dus. De voorbije vier dagen vertoefde ik weer eens op Werchter. Niet zozeer het beste festival ter wereld, maar wel het schraalste. Om drie uur ’s middags kom je al zatte mensen tegen die op z’n minst een 70-tal euro betaald hebben om groepen te zien waarvan ze wellicht niets zullen onthouden. Op elk uur van dag kom je mensen tegen die niet wéten wie Neil Young is en al helemààl niet weten waarom ze naar een oude vent staan te staren. Je komt mensen tegen die zich geneigd voelen voorspellingen te doen over uw liefdes- én seksleven. Die mensen zijn dan niet toevallig vrienden van uw Lief die je daarna wel eens een goeie rechtse wilt geven, maar het niet doet, omdat je toch ergens nog de vrede wilt behouden. Voor de laatste keer, that is, want een mens heeft maar een beperkte dosis geduld meegekregen en die van mij is zo klein dat het drama de overhand zal halen the next time. Yesh, ik bén de reïncarnatie van de verzuurde festivalganger en ik ben er niet beschaamd over.

Na 4 dagen komt dan het moment waarop je al – je raadt het nooit – 4 dagen wacht. Het moment waarop dEUS het festival zal afsluiten, zonder ook maar 1 noot van Magdalena te spelen. Dus zing je het maar in je hoofd, want iets is beter dan niets. En je bent al blij dat je dit jaar niet opnieuw van je sus gegaan bent en dat je dit jaar wél in het publiek kan staan tijdens het optreden. Eventjes komt er een grijns-achtige glimlach op mijn gezicht. Dit is de Werchter die ik twee jaar geleden niet heb gekregen. Na een hele dag kamperen voor het hoofdpodium was ik eventjes weg van de wereld, om mezelf daarna terug te vinden bij de EHBO. Om daarna achtergelaten te worden door vrienden en helemaal alleen van massa’s ver mijn favoriete groep te zien spelen. Dit jaar stond ik er. En ik zong. Ik zong liedjes die ze niet speelden, maar niemand die het hoorde.

‘You drive too fast, but I don’t care. Wherever’s fine, just take me there.’

Soms moet ge mensen laten gaan, het is alleen moeilijk om te beslissen wanneer.

Ik wandelde met opgeheven hoofd door de straten. Ik had een hele nacht niet geslapen, maar het deerde me niet. De zon scheen, ze brandde zelfs een beetje op mijn huid. Ik had net een prachtig examen achter de rug en in mijn zak zat een broodje van de beste broodjesbar van Leuven. En vanavond, vanavond zou ik pizza gaan eten. Voor iemand die een te grote portie van haar aandacht op voedsel fixeert, is zoiets natuurlijk steeds goed nieuws. Voor de mensen die op dit moment op dieet zijn, is dit waarschijnlijk weerzinwekkend nieuws.

Mijn schoenen deden pijn, maar ik was er wel zeker vier centimeter groter mee. En dus ook 4 centimeter slanker. Hoeveel dat in kilo’s is, zal u aan Trinny en Susannah moeten vragen, maar in mijn hoofd is dat toch wel goed voor zo’n 13 kg minder Eikebah. Blijkbaar dacht de oude man met het halve brood er hetzelfde van, want hij bleef me maar aankijken. Tot op het punt dat het echt awkward begon te worden en hij zichzelf omdraaide en wegwandelde, that is. Toch blij dat er op z’n minst één iemand was die er hetzelfde van dacht als ik.

Dus ik wandelde. Ik zou zelfs bijna zeggen dat ik huppelde, als dat geen flagrante leugen zou zijn, aangezien ik niet kan huppelen op hakken die eigenlijk al zo afgesleten zijn dat ik er alleen maar mee over de grond zou mogen hooveren. En alles was goed. Alles was perfect. Dit, dit was mijn dag. Ik groette het paar wespen dat ik aan mijn hakjes zag voorbijgaan.

Ik keek verbaasd naar hoe het paar wespen zich vermenigvuldigde.

En daar, daar op mijn dag des glorie, stond ik in het midden van een wespennest.