Maandelijkse archieven: maart 2008

Wijvenweek

Wat mannen niet begrijpen… Ik zou erover moeten schrijven. Over dat ze de kleine hints en intonatiewisselingen niet begrijpen. Over dat ze niet begrijpen dat een ‘ja’ wel degelijk een ‘nee’ kan zijn en omgekeerd. Maar ze weten het zelf wel, die mannen, dat ze ons vaak niet begrijpen. Dus hoeft er niet over geschreven te worden.

Want ik begrijp ‘mijn man’ evenmin. Ik begrijp niet waarom hij – in plaats van me te troosten – plots met wel 25 plannen op de proppen komt om “het probleem op te lossen”. Dat zijn “ik zie haar niet meer graag, omdat ze rookt” het equivalent is van een “ik zie alleen u graag”. Ik begrijp niet waarom hij me nuttige cadeaus wil geven, terwijl ik dat ene onnuttige cadeau zoveel meer zou appreciëren. Ik begrijp niet waarom hij alles zo letterlijk interpreteert terwijl mijn gezicht duidelijk de omgekeerde boodschap uitzendt dan mijn eerder gesproken woorden.

Maar hij begrijpt wel dat mijn “het is niets” het equivalent is van “blijven proberen en na een half uur zal ik wel toegeven dat er wél iets is”. Hij begrijpt dat het ‘niet okee’ is als ik plots stil ben en stil blijf. Hij begrijpt dat mijn koppigheid bestaat en wat hij moet doen om ze te doorbreken.

Hij begrijpt dat ik anders ben en ik begrijp dat hij anders is. En meer moet dat niet zijn, toch?

WijvenweekEen huishouden. Ik heb er geen. Jawel, ik ben in het bezit van nul huishoudens. En maar goed ook, denk ik dan.

Koken kan ik niet, kuisen kan ik niet en ik heb nog nooit in mijn leven ‘de was’ gedaan. De gedachte van een héél huis dat vuil kan worden, maakt me bijna depressief. Ik zou ofwel het huis helemaal laten verkommeren ofwel een neat freak worden. Nee, het is (nog) niet aan mij besteed.

Bovendien ben ik allesbehalve goed huishoudengezelschap. Ik ben een regelrechte Drama Queen als het over eten gaat, ik ben een regelrechte koppigaard als het over eender wat anders gaat. Ik beweer al jaren dat het onmogelijk is om met mij samen te wonen en ik blijf er ook bij. I’m all nice and game om avondenlang mee door te brengen, maar om er ook nog middagen en ochtenden bij te nemen,… Nein. Ik raad het niemand aan.

Dus nu al eeuwig respect voor de man die het ooit zal wagen, maar voorlopig vorm ik wel een huishouden op mezelf… op mijn kot. Waar ik mensen kan wegjagen when I please. (Aber ook mensen kan uitnodigen when I please, dat spreekt voor zich.)

Dus over huishoudens heb ik niets nuttig te zeggen. Maar dan ook helemaal niets. Behalve dan dat bij het idee alleen al ik nerveuze rillingen krijg en scenario’s voor mij zie alwaar ik voor de 43e avond op rij ‘pasta 4 kazen’ wil en mijn partner zowat ineenstort door gebrek aan andere voedingsstoffen. Ow, en dat ik drie katten wil. Ja, ik word later een cat lady.

Wijvenweek

Of hoe dagdagelijkse MSN-gesprekken ook over wijvenweek kunnen gaan, zonder dat de gesprekspartner het weet. Ofte: Door de ogen van een man.

Wijvenweek

Ooit zat ik eens aan tafel met een man die geen vriend van me was. Tussen ons in lag een Humo. Dé Humo waarin beschreven stond dat vrouwen makkelijk te verleiden zijn door één bepaald trucje en waarin beschreven stond hoe je zo snel mogelijk zoveel mogelijk aantal vrouwen in je nest kon krijgen. Dié Humo lag tussen ons. De moeite waard om er een gesprek over te hebben dus.

De man: ‘Jij zou net zo makkelijk te verleiden zijn als al die vrouwen?

Ik AKA de vrouw: ‘Pardon?

De man: ‘Ja, alle vrouwen vallen toch zo voor een bad boy die ze dan kunnen veranderen’
Ik: ‘Euh, ik niet, hoor.’
De man: ‘Jawel, ge beseft het gewoon nog niet. Als er zo iemand in een café op u afstapt en hij vertelt u zo’n verhaal met een hoek af… Ge zult ‘m wel willen verbeteren. En dan dat spelletje met aandacht geven en dan weer geen aandacht. Volgens mij pakt dat wel wel.’

Ik: ‘Als er een man op mij af komt in een café dan ben ik al weg.’

Maar er viel niet te discussiëren met de man, want hij had in zijn hoofd duidelijk al beelden waarin hij in een gigantisch groot bed lag, bedekt met witte lakens, rozenblaadjes en een dozijn naakte vrouwen. Ik daarentegen had nachtmerries van hoe café-types op mij af zouden komen om te beginnen met een belachelijke openingszin en om daarna hun ‘verhaal met een hoek af’ te vertellen.

Willekeurige Man: ‘Ja, en toen ben ik zo een beetje in het drugmilieu terechtgekomen. Soft-drugs eey. Maar eigenlijk heb ik er genoeg van’ [insert Bambi-blik]

Ik: ‘Ja, afkickcentra genoeg, he.’ [insert Waar-Zijn-Mijn-Vriendinnen-blik]

Nee, zo’n dingen werken bij mij niet. Helemaal niet. Bij mij werkt niets eigenlijk. Ja, niets. Ik val niet op mannen die zo mooi zijn dat ze in een boekje passen. Ik val niet op bad boys. Ik val niet op mannen waar werk aan is. Ik heb liever al direct de perfecte man. Ik val niet op mannen die – eens ze in groep zijn – schaamhaar uitwisselen of luidkeels ‘HOEREN’ roepen.

Doe mij maar een braveke.

WijvenweekShoppen. Ik doe het niet graag. Ik krijg zowaar nachtmerries van heelder uren door winkels lopen en snuffelen. Nog zwaardere nachtmerries krijg ik van in groep door winkels lopen en snuffelen, zoals sommige vrouwenbendes dat wel eens plachten te doen.

Nee, ik ben eerder de eenzame shopper. Ik winkel het liefst helemaal alleen. Zodat ik ook meteen de homo economicus kan uithangen en de prijzen in alle winkels te vergelijken om daarna thuis te komen met de beste aankoop prijs-kwaliteitsgewijs. Ja, geen foute aankopen in mijn kast. Bovendien kan ik op mijn eentje de winkelbediendes de schrik van hun leven aanjagen door minstens vijf keer hun winkel binnen te komen, steeds hetzelfde te passen, minutenlang de voor- en nadelen van elk kledingstuk staan af te wegen om dan daarna toch nog eens zonder aankopen naar buiten te gaan en hetzelfde ritueel af te leggen in een andere winkel.

Mijn economisch shoppen zorgt er soms inderdaad wel voor dat security-mensen mij aanzien voor een dievegge, maar mijn portemonnee is altijd heel fier op mij.

WijvenweekNa mijn post die volledig deed vermoeden dat ik geen greintje vrouw in mezelf heb zitten, nu een reeks posts die iedereen zullen doen vermoeden dat die post een totale leugen was. Want ja, ik doe blijkbaar mee met blograges… Of toch als ze mij een wild card geven om mijn PMS bot te vieren op mijn beperkt lezerspubliek.

Want ja, zo eentje ben ik wel. Zo eentje die je best één week per maand vermijdt. Zo eentje waar je best één week per maand naartoe gaat met een chocoladereep in je zak. Zo eentje waar je best één week per maand kan relativeren dat niet alles wat ze roept waar is. Zo eentje die één week per maand for no apparent reason in haar nest blijft steken om te jammeren dat ze te dik is en dat ze daarom chocola moet eten, want dat zal haar helpen om zich beter te voelen waarna ze chocolade eet en ze zich nog slechter voelt. Vicieuze cirkels, ze bestaan. You get the point, denk ik.

Deze maand ga ik de vicieuze cirkel breken, though. Of dat heb ik me toch voorgenomen. Het begon allemaal in een pashokje in de H&M, op een dag dat ik wat last had van pre-PMS. Dus stond ik daar in de H&M met drie kledingstuks, waarvan twee de lelijkste kledingsstuks uit mijn hele pas-carrière.

‘Maat 36… No way dat ik daar in pas’, mopperde ik. Ik keek mezelf aan in de spiegel. ‘Ik ben zo weer aan het afsteven op mijn maat 46’, verweet ik mezelf. Ik hief mijn hoofd op en weigerde mezelf nog aan te kijken. Wat wreed moeilijk is in pashokjes waar aan elke mogelijke kant een spiegel staat. Ik trok het kleedje aan en het was schreeuwlelijk. Maar het paste wel.

‘Oké… Ik ben in het bezit van een rok met maat 36 en dit kleedje past ook’, hoorde ik mezelf redeneren, ‘maar toch ben ik supermegavet! DIEET!’, ging de redenering verder. Waar die logica vandaan komt, don’t ask, ik denk dat het de schuld is van alle skinny jeans die rondloopt in de H&M.

Later bleek dat dieet te bestaan uit koeken, chocola en noten, maar eergisteren kreeg ik toch een massive schuldgevoel op mijn schouders. Ik ging écht opnieuw op mijn eten letten, want 80 kilo wou ik nooit meer wegen. En als ik dit gewicht bleef houden dan kon ik verzekerst naar een klasreünie gaan om aldaar al mijn ex-klasgenoten te vertellen dat ze allemaal in de hel zullen belanden en aldaar zullen branden. Dus meed ik alle chocola en alle andere ongezondheid tijdens het shoppen om thuis te belanden met kilo’s fruit en groenten.

Dus lig ik hier nu in mijn nest, te jammeren dat ik te dik ben. Te bedenken dat ik iets wil doen, maar dat ik ook niets wil doen en dat ik helemaal niet iets wil doen, maar ook helemaal niet niets. Met als enige vervanging ter chocolade de Spaanse aardbeien. Spaanse aardbeien die bevroren zijn, omdat de temperatuur in de ijskast te hoog stond. You get the point

*Wacht wanhopig op wijvenprogramma’s op VijfTV en Vitaya*

Anderhalf jaar geleden moest ik een zware keuze maken. Of zo stelde ik het me toch voor in mijn hoofd. Voor mij is elke keuze moeilijk, wat ook verklaart waarom ik tijdens het kiezen van een broodje zowat 17 keer van idee verander. Wat dan ook verklaart waarom ik anderhalf jaar zoveel moeite had met volgende keuze:

‘Alleen gaan en vermoedelijk vertrappeld worden door honderden mensen of verdwalen in een steegje en daar verkracht worden door een dronkenlap’

OF

‘Met een blogger afspreken en vermoedelijk urenlang van die vervelende gesprekken hebben met om de vijf minuten een awkward silence of verkracht worden door die blogger.’

Dat laatste alsook in een steegje, natuurlijk.

Na wekenlang ontwijken en nadenken koos ik dan toch maar voor het tweede. Zo belandde ik dus in Antwerpen Centraal met op mijn schoot een boek en in mijn ooghoek een afgesloten uitgang. Zo kwam het dus dat ik in paniek dezelfde blogger aansprak met ‘OMG, we gaan hier nooit weg geraken!’ en helemaal in paniek deed van ‘uitgang is gesloten’. Zo kwam het dus dat hij me erop wees dat een gebouw wel degelijk meerdere uitgangen heeft en dat mijn neurotische kant misschien toch eens twee seconden moest zwijgen. Zo kwam het dat hij voor mij stond op de roltrap en ik hem de hele tijd aan het beruiken was.

Zo kwam het ook dat ik verliefd werd tijdens één of andere melige hit van Clouseau terwijl ik eigenlijk voor dEUS kwam. Zo kwam het ook dat ik lichtjes tegen hem hing tijdens een helse regenbui. En zo kwam ook het besef dat treinen op een bepaald moment niet meer rijden. Gepaard daarmee kwam dan weer het besef dat ik helemaal niet gecheckt had wanneer mijn laatste trein was.

Waarna ik enkele minuten later met hem op een overbevolkte trein richting Mechelen zat om daarna een overstap te maken naar zijn wagen. De wagen waarmee hij me na anderhalf jaar nog altijd mee naar huis brengt.

Gisteren deed ik iets vrouwelijks. Iets heel erg vrouwelijks. Niets speciaal aan het handje, denkt u, maar ik ben eeuwen een onvrouwelijke vrouw geweest dus iets vrouwelijks doen voelt soms nog een beetje vreemd aan. De 14-jarige in mezelf loopt nog steeds puberaal kwaad te wezen en schopt nog geregeld tegen mijn hedendaagse versie. Mijn ‘Punk’s not dead’ T-shirts zijn weg, mijn wijde broeken ook. Mijn angst om een rok te dragen is veranderd in een voorliefde voor de pijploze kledingstukken. Vandaag ben ik op en top vrouw, inclusief curves en bootiliciousness.

Dus besloot ik om mijn vrouwelijkheid te vieren door het kopen van twee paar oorbellen. Twee paar, want twee is meer dan één. Zoveel wijsheden die ik neerpen, het is onschatbaar. Bon, met twee paar oorbellen in mijn zak liep ik dus naar mijn kot. Op mijn kot besloot ik dan weer dat oorbellen maar een waste of money zijn als je er niet altijd naar kan kijken. Dus hing ik ze op. Allemaal. Alle tien paar. Zo vrouwelijk dat ik mezelf vond, dat mijn eierstokken begonnen te trillen. Als dat mogelijk is, toch.

100% vrouw ging ik naar het kot van een vriendin alwaar het samenkomst was. Twee meisjes en een, nuja, minder mannelijke man. En ik.

‘Hebt gij liquid foundation?’, vroeg een vriendin aan de jongen.

Wàt? Seriously, wàt? Ik probeerde te overlopen waarover ze het kon hebben, zodat ik makkelijk op het gesprek zou kunnen inpikken. Het klinkt een beetje als… als… een drum and bass band! Ja, dat moet het zijn.

‘Gij zijt nu zo ‘WAT’ aan het denken he, Anneke?’, richtte de vriendin zich tot mij.

Zo verdween mijn vrouwelijkheid als sneeuw voor de zon. Terwijl zij zich schminkten en ik mezelf bedacht dat ik niet eens het verschil zag tussen de voor en na. Of misschien was het toch eerder nadat de vriendin zei dat ik de meest mannelijke van het gezelschap was.

Gisteren had ik voor het eerst een MP3-speler in mijn bezit, voor minstens 24 uur. Aangezien ik MP3-spelers meestal van op afstand bewonder, kende ik er niets van. Behalve dan dat het kleiner, platter en lichter is dan mijn discman die ergens stof ligt te vergaren. En dat er veel meer muziekjes opkunnen.

Dus begon ik te testen, want mijn kennis van het apparaat was cruciaal. Vooral omdat ik het ding had omgedoopt tot dictafoon en ik er een heel interview mee zou opnemen. Ik voorzag allerlei doemscenario’s en testte ze allemaal uit.

‘Dit is een test. We praten aan een normaal stemvolume. De MP3-speler ligt op een kleine afstand. We kijken naar elkaar en niet naar de MP3-speler. De MP3-speler hoort ons. Test.’

Zo ging dat dan. Zo ging het ook tijdens het interview. Af en toe eens kijken of het ding nog aan het opnemen was. En dan na het interview een deel afspelen en uittikken. En vandaag opnieuw. Transcripties maken ain’t fun, kan ik u zeggen.

Nog minder plezierig was dat het geluid plots stopte. Ik keek naar de technologie. De technologie keek naar mij. Ik drukte op knopjes. De technologie deed niets. Ik vloekte. Technologie had geen angst en bleef naar mij kijken. Ik drukte het uit. Het ging niet uit. Ik drukte het nog eens uit. Het bleef aan.

Ik maakte een korte situatieschets: De MP3-speler is niet van mij, hij blijft hangen, tijdens een interview waarvan ik nog de helft moet uittypen. Dit is géén goed nieuws. Ik keek naar een ander stukje technologie. Eentje dat me nog niet in de steek gelaten heeft. Ik grijp naar mijn GSM. Ik zucht. Ik zoek in mijn adresboek en vind het telefoonnummer.

“Euh ja, I have some serious issues met uw MP3-speler he”, begin ik het gesprek.

“Wat hebt ge gedaan?”, is het antwoord.

Niets, prevel ik. Met in mijn ene hand de MP3-speler from hell en in de andere mijn GSM. Het was niet de eerste keer dat dit gebeurde. De ene keer was alles verdwenen, de andere keer herstelde de media library zich.

I can tell you, als mijn interview blijkt weg te zijn, prop ik mezelf vol met een ganse pot witte choco van Kwatta.

“Zou een huis naast een hoerenkot minder kosten dan een ander huis in dezelfde straat?”, vroeg ik.

“Goh, ik denk het niet.”

Ik dacht anders wel dat het minder zou kosten. “Maar allez, dat hoort toch minder te kosten. Hoeveel mensen zijn er die ernaast zouden willen wonen? Weinig toch…

Vraag en aanbod, enzoot.

Mijn monoloog ging verder: “Ik zou er in ieder geval niet naast willen wonen.” Ik bazelde dingen over kinderen, verkrachters, rare mannen die aanbellen aan het verkeerde huis. Over dat ik niet een geschikte persoon ben om raad te geven aan wenende prostituees als ze op een blauwe maandag naar mij zouden komen. Niet omwille van hun beroep, maar omdat ik nóóit de geschikte persoon ben om raad te geven.

Plots begon ik mezelf wel heel errug conservatief te vinden. Waarop ik me dan toch inbeeldde hoe het zou zijn om naast een huis van vertier te wonen waar praktijken à la Matroesjka’s geen schering en inslag zouden zijn. Nee, zelfs dan kon ik het nog niet aan.

“Ik zou me zo ergeren. Je zit rustig televisie te kijken en in je ooghoek zie je heel de tijd dat vervloekte neonlicht. Blauw. Rood. Blauw. Rood. It would drive me crazy.Zo crazy dat ik het er op een nacht verzekerst zou afhalen. Ik zou me zelfs ergeren moest ik naast een Chinees restaurant wonen, peins ik.

“En”, begon ik mijn afsluitend argument, “als je dan ruzie hebt met uw vent en hij dreigt ermee naar de hoeren te gaan dan kan je niet eens zijn banden platsteken. Want hij kan te voet!”

“Je kunt altijd zijn knieschijven kapotslaan.”

‘Ik kan het niet meer, he’, panikeer ik.

‘Wat kunt ge niet meer’, antwoordt hij.

‘Schrijven’, antwoord ik. Ik zet een dramatische smiley achter het zinnetje om de ernst van mijn boodschap zowel te benadrukken als te minimaliseren.

‘Dan komt het er ff niet uit he, het is toch geen verplichting’, zegt hij. Hij plaatst er een standaard MSN-emoticon bij. Die met de tong. Ongepast, denk ik. Hij altijd met zijn down to earth redeneringen, denk ik.

‘Nee, het komt er gewoon nooit uit. Zelfs niet wanneer ik wil.’

Zeker niet hoe ik het wil.

We chatten verder. Ik vertel hem over dit stuk. Dit stuk dat klaar staat. Om vernield te worden of om gepost te worden. Rather vernield dan iets anders.

‘ Waarom kunt ge het er niet opzetten? Wilt ge dat ik het eens lees? Of iemand anders die kritischer is?

Neen.

‘Ik kan het er niet opzetten omdat

  1. dit een slecht stuk is
  2. mensen zullen denken dat ik een aandachtshoer ben en positieve reacties probeer uit te lokken terwijl ik gewoon echt mijn gevoelens uit.

‘Mainly het tweede’, smijt ik er nog achter.

Maar het is te laat. Ik ben al vertrokken.

‘Waarom zou ik nog voor een publiek schrijven als ze me toch uitspuwen? Wààrom?’

‘Het zit zo hoog.’

Zo hoog en ik, ik ben zo klein.

Vandaag

- Wandelde ik zeer snel richting Leuven station

- Miste ik ondanks toch twéé treinen

- Vertrok de trein die ik wel had te laat

- Vond ik de ticketmachines in de Brusselse metro niet

- Na lange zoektocht vond ik ze toch wel

- Zag ik mijn metro hierdoor voor mijn neus vertrekken

- Bleken metro’s helemaal niet zo snel te rijden als de supersonische versies die ik in gedachten had

- Bleek dat de wegbeschrijving van Mappy wel zeer voor interpretatie vatbaar was

- Wandelde ik de verkeerde kant uit

- Wandelde ik na het vastklampen van slachtoffers toch uiteindelijk de juiste kant uit

- Kwam ik maar liefst 20 à 25 minuten te laat op een afspraak

- Maakte ik hiermee wellicht een zeer goede eerste indruk

- Bleek dat niet alles is zoals je hoopte in je dromen

- Werkte het machientje bij de tram niet

- Bleek dat het enige machientje te zijn dat er in verre omstreken stond

- Kocht ik als brave Belg toch een ticketje in de tram

- Bleek dat onding 50 cent duurder te zijn omdat ik het in de tram kocht

- Vijftig cent die deel uitmaakte van mijn wel zeer krap budget

- Dat nu te krap is

- Dus ik eis die 50 cent terug

- Heb ik geen enkele controleur gezien

- Had ik tijd te over in Leuven

- Ging ik dan maar tijd doden door winkels te doen

- Kocht ik dingen die ik niet kon betalen

- Voelde ik me hierdoor schuldig

- Propte ik me vol met choco

Morgen:

- Zal ik al twee weken aan een stuk het slachtoffer zijn van Murphy.

- Zal ik mijn geluk terugeisen.

- Zal ik een halve euro te kort komen.

- Zal u hier reageren dat u niet begrijpt hoe ik een halve euro te kort zal komen en toch kleren kan kopen

- Zal ik u antwoorden met: Ween.

I’m starting to get annoyed. Lately.

 

Is het werkelijk zo moeilijk om te beseffen dat er meerdere mensen op de wereld zijn dan jezelf? Is het écht zo moeilijk om jezelf in de schoenen van een ander te plaatsen? Is het werkelijk zo moeilijk om in te zien dat sommige regels gemaakt zijn opdat iedereen tevreden zou kunnen zijn?

 

Bestaat empathie nog, lately?

 

*krijgt zenuwtrek aan haar oog*

Schrijven. Ik zet het steevast als eerste puntje achter het dubbelepunt. Hobby’s: schrijven. Al jaren. Want ik schrijf. Elke dag. Ik schrijf verhalen. Fictie, maar toch vooral non-fictie. Non-fictie met een draai aan, liefst. Wat het weer fictie maakt, I guess.

 

Alleen; ik schrijf niet. Ik noteer alles in gedachten, maar op papier komt er niets. Ik heb al twee maanden niets meer geschreven. Niet voor krantjes, niet voor weblogs, niet voor mezelf en zelfs geen eindeloze imaginaire verhalen die het papier nooit raakten.

 

Maar ze zijn terug. Mijn verhalen, in mijn hoofd. Ze zijn er weer. ‘Schrijf’, zeggen ze. Ik luister niet. Ik zet een liedje op. Eentje dat beter geschreven is dan ik ooit schrijven zal. Eentje dat al beschrijft wat ik schrijven zou, opdat ik het niet zou moeten schrijven.

 

‘Schrijf’, zeggen ze.

 

‘Was ik maar niet zo koppig’, antwoord ik.