‘Ik kan het niet meer, he’, panikeer ik.
‘Wat kunt ge niet meer’, antwoordt hij.
‘Schrijven’, antwoord ik. Ik zet een dramatische smiley achter het zinnetje om de ernst van mijn boodschap zowel te benadrukken als te minimaliseren.
‘Dan komt het er ff niet uit he, het is toch geen verplichting’, zegt hij. Hij plaatst er een standaard MSN-emoticon bij. Die met de tong. Ongepast, denk ik. Hij altijd met zijn down to earth redeneringen, denk ik.
‘Nee, het komt er gewoon nooit uit. Zelfs niet wanneer ik wil.’
Zeker niet hoe ik het wil.
We chatten verder. Ik vertel hem over dit stuk. Dit stuk dat klaar staat. Om vernield te worden of om gepost te worden. Rather vernield dan iets anders.
‘ Waarom kunt ge het er niet opzetten? Wilt ge dat ik het eens lees? Of iemand anders die kritischer is?’
Neen.
‘Ik kan het er niet opzetten omdat
- dit een slecht stuk is
- mensen zullen denken dat ik een aandachtshoer ben en positieve reacties probeer uit te lokken terwijl ik gewoon echt mijn gevoelens uit.’
‘Mainly het tweede’, smijt ik er nog achter.
Maar het is te laat. Ik ben al vertrokken.
‘Waarom zou ik nog voor een publiek schrijven als ze me toch uitspuwen? Wààrom?’
‘Het zit zo hoog.’
Zo hoog en ik, ik ben zo klein.









